ECLI:NL:RBROT:2026:4958
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening toelating maatschappelijke opvang Rotterdam
Verzoekster, een Surinaamse vrouw die sinds juni 2023 met haar zoon in Nederland verblijft, vroeg op 30 oktober 2025 toelating tot maatschappelijke opvang nadat zij haar tijdelijke woonruimte had moeten verlaten. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees dit verzoek af omdat verzoekster volgens het college zelfredzaam is in de zin van de Wmo en er geen noodzaak is voor maatschappelijke opvang, mede omdat zij onderdak had bij Stichting Binnenslapers.
Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 3 april 2026 en wees het af. Verzoekster bracht nieuwe verklaringen in van de schooldirecteur van haar zoon en van Binnenslapers, waarin werd gesteld dat zij niet zelfredzaam zou zijn. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat deze verklaringen niet tot een ander oordeel leiden, omdat het kernprobleem het gebrek aan huisvesting is en er geen aanwijzingen zijn voor bijkomende problemen zoals psychische stoornissen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang en dat het college terecht het verzoek heeft afgewezen. Verzoekster heeft tot 30 april 2026 onderdak bij Binnenslapers en er zijn geen voldoende zwaarwegende belangen om het college te dwingen tot opvang. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor toelating tot maatschappelijke opvang is afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de Wmo-zelfredzaamheidscriteria en er geen zwaarwegende belangen zijn.