Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4810

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/10/707115 / HA ZA 25-835
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tussenkomst Stichting Amarijn in vordering tot terugbetaling geldleningen door DZK

In deze civiele procedure vorderen [eisers] dat DÉ ZEEUWSE KEUKEN B.V. (DZK) wordt veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van €370.000,- plus rente en incassokosten, voortvloeiend uit twee geldleningen die door [naam B.V.] aan DZK zijn verstrekt en later aan [eisers] zijn overgedragen. DZK heeft deze leningen niet afgelost, ondanks opeisbaarheid.

Stichting Amarijn, aandeelhouder van DZK na een fusie, verzoekt om tussenkomst in de hoofdzaak. Amarijn stelt dat zij een overeenkomst van achterstelling heeft met DZK, waardoor haar vordering voorrang heeft boven die van [eisers]. Amarijn wil voorkomen dat een veroordelend vonnis wordt uitgesproken zonder rekening te houden met deze achterstelling.

De rechtbank beoordeelt dat Amarijn een eigen vordering wil instellen en daarom tussenkomst passend is. Gezien het belang van Amarijn en de steun van DZK voor haar verzoek, wordt Amarijn toegestaan om in de hoofdzaak tussen te komen. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt aangehouden tot na ontvangst van de conclusie van antwoord van Amarijn.

Uitkomst: Stichting Amarijn wordt toegelaten tot tussenkomst in de hoofdzaak en proceskosten in het incident worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/707115 / HA ZA 25-835
Vonnis in incident van 22 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
2. [eiser 2] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident,
advocaten: mrs. E.H. Leemreis en D.M.A.P. Dielen,
tegen
DÉ ZEEUWSE KEUKEN B.V.,
vestigingsplaats: Middelburg,
gedaagde partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. M.J. Elkhuizen,
en in welke zaak zich wil voegen/wil tussenkomen
STICHTING AMARIJN,
vestigingsplaats: Middelburg,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. J.B. de Meester.
Partijen worden hierna [eisers], DZK en Amarijn genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 11 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de conclusie van antwoord van DZK, met bijlagen 1 en 2;
  • de incidentele conclusie tot voeging of tussenkomst van Amarijn;
  • de conclusie van antwoord in incident tot voeging/tussenkomst van [eisers];
  • de conclusie van antwoord in incident tot voeging of tussenkomst van DZK.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
[eisers] vorderen bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
DZK te veroordelen (in gelijke delen) aan [eiser 1] B.V. en [eiser 2] B.V. te voldoen een (totaal)bedrag van € 370.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de dag volgend op de dag die – voor de betreffende deelvordering – is overeengekomen als de uiterste betaaldag tot aan de dag van de algehele voldoening;
DZK te veroordelen aan [eiser 1] B.V. en [eiser 2] B.V. te voldoen een bedrag van € 3.625,00 ter zake van door DZK verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten; en
DZK te veroordelen in de kosten van dit geding (inclusief nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente over die proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de veroordeling is voldaan.
2.2.
[eisers] leggen, verkort weergegeven, het volgende aan hun vorderingen ten
grondslag. Stichting Zorgstroom (‘Zorgstroom’), Stichting ZorgSaam Zorggroep Zeeuws
Vlaanderen en [naam] B.V. (‘ [naam B.V.] ’) houden vanaf 1 januari 2020 elk één derde van het geplaatste aandelenkapitaal van DZK. [naam B.V.] heeft op 17 januari 2020 een geldlening van € 70.000,00 (‘geldlening I’) en op 7 mei 2020 een geldlening van € 300.000,00 (‘geldlening II’) aan DZK verstrekt. DZK moest geldlening I uiterlijk op 31 december 2021 en geldlening II uiterlijk op 31 december 2024 volledig aflossen. [naam B.V.] heeft op 17 juni 2022 de vorderingen uit de geldleningsovereenkomsten bij akte van contractsoverneming (‘de Akte’) overgedragen aan [eisers] DZK heeft daaraan meegewerkt en heeft als bewijs daarvan de Akte getekend. DZK heeft nog niets afgelost op geldlening I en geldlening II. De geldleningen zijn ineens opeisbaar en zijn opgeëist. DZK heeft niets betaald. DZK schiet tekort in de nakoming van haar verbintenissen uit de geldleningsovereenkomsten en de Akte. [eisers] vorderen dat DZK wordt veroordeeld om haar verbintenissen na te komen en de geldleningen terug te betalen.
2.3.
DZK concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

3.Het geschil in het incident

3.1.
Amarijn vordert om haar toe te laten tot voeging en tussenkomst in de hoofdzaak en om de vorderingen van [eisers] tegen DZK af te wijzen, dan wel [eisers] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst van achterstelling zoals opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst van 19 december 2019 en addenda, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
3.2.
Amarijn legt, verkort weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag. Zorgstroom is in 2024 gefuseerd met Stichting WVO en is daarna verder gegaan onder de naam Amarijn. Zodoende is Amarijn aandeelhouder in DZK. Amarijn heeft geld geleend aan DZK. Dat geld moet op grond van een overeenkomst van achterstelling eerst volledig worden terugbetaald vóórdat een eventuele vordering van [eisers] kan worden opgeëist. [eisers] hebben daar geen, althans onvoldoende rekening mee gehouden bij hun vordering tegen DZK. Voorkomen moet worden dat [eisers] een veroordelend vonnis krijgen zonder dat rekening is gehouden met deze feiten en omstandigheden. Amarijn heeft dan ook recht en belang om zich in de hoofdzaak te voegen, althans daarin te mogen tussenkomen.
3.3.
[eisers] refereren zich in het incident aan het oordeel van de rechtbank. DZK ondersteunt de vordering in het incident van Amarijn.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Aan de orde is (alleen) de vraag of het Amarijn moet worden toegestaan om zich in de hoofdzaak te voegen of daarin te mogen tussenkomen. Amarijn heeft geen duidelijke keuze tussen deze twee varianten van interventie gemaakt. Uit het feit dat Amarijn in haar incidentele conclusie tot voeging of tussenkomst schrijft dat zij – voor het geval dat de rechtbank mocht oordelen dat de vorderingen van [eisers] toewijsbaar zijn – wil dat in de hoofdzaak wordt vastgesteld dat [eisers] gehouden zijn om zich aan de gestelde overeenkomsten van achterstelling te houden en dat de geldverstrekker daar niet van af wil wijken, leidt de rechtbank echter af dat Amarijn een eigen vordering wil instellen. Zo’n eigen vordering past bij tussenkomst en niet bij voeging. Daarom beoordeelt de rechtbank hierna of het Amarijn moet worden toegestaan om in de hoofdzaak tussen te komen.
4.2.
Het uitgangspunt is dat een partij kan vorderen te mogen tussenkomen als zij een eigen vordering wil instellen tegen (één van) de procederende partijen en daarmee voldoende belang heeft om zich te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in het hoofdgeding kan ondervinden. [1]
4.3.
Amarijn heeft voldoende gesteld dat zij er belang bij heeft om zich met een vordering te mengen in de hoofdzaak in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Aangezien [eisers] zich verder aan het oordeel van de rechtbank heeft gerefereerd en DZK de vordering van Amarijn ondersteunt, wordt het Amarijn toegestaan om in de hoofdzaak tussen te komen.
4.4.
Omdat geen van partijen in het incident als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen, worden de proceskosten in het incident gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten in het incident moet betalen.

5.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
5.1.
staat Amarijn toe om in de zaak met zaaknummer C/10/707115 / HA ZA 25-835 tussen te komen;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van
3 juni 2026voor conclusie van antwoord van Amarijn;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
3349 / 3669

Voetnoten

1.Artikel 217 Rv Pro en ECLI:NL:HR:2014:768, overweging 4.1.2.