3.3.Kinderbijdrage
3.3.1.De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 529,- per maand vast te stellen bij co-ouderschap of nagenoeg gelijkwaardige zorgregeling waarbij de minderjarigen bij de vrouw staan ingeschreven.
De man verzoekt een door de vrouw te bepalen kinderbijdrage van € 500,- per maand per kind vast te stellen.
3.3.2.De rechtbank heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn. Dat betekent dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening dient te nemen. Feitelijk verblijven de minderjarigen echter bij iedere ouder even veel. De minderjarigen zijn namelijk in de ene week twee dagen (de dinsdag en de donderdag) en de andere week vijf dagen (de dinsdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag) bij de vrouw. Over veertien dagen bekeken, is de zorg dus gelijkelijk verdeeld. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw zo dat zij ook in deze situatie een kinderbijdrage van de man vraagt. De rechtbank worstelt met de formulering van het verzoek van de vrouw waarbij zij de bijdrage lijkt te koppelen aan waar de minderjarigen staan ingeschreven dan wel hun hoofdverblijf hebben. Het is echter in het belang van de minderjarigen dat wordt voorzien in hun behoefte. De man heeft ook rekening kunnen houden met een eventueel te betalen bijdrage, omdat de vrouw in haar inleidende verzoekschrift al om een kinderbijdrage verzoekt.
3.3.3.Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 23 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1924) blijkt dat de vraag of en, zo ja, in hoeverre de ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, jegens de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte. Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank zal beide verzoeken van partijen dan ook beoordelen. 3.3.4.De vrouw heeft haar verzoek om wijziging van de beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen ten aanzien van de kinderbijdrage ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer over kan beslissen.
3.3.5.Partijen zijn het erover eens dat een eventuele kinderbijdrage moet worden vastgesteld per de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.6.Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2024 € 735,- per maand per kind bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 819,- per maand per kind.
3.3.7.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
3.3.8.De vrouw heeft drie loonstroken overgelegd, namelijk van januari 2025, februari 2025 en januari 2026. Met de man is de rechtbank van oordeel dat dit weinig is om het actuele inkomen van de vrouw te bepalen. Bij gebrek aan meer gegevens zal de rechtbank echter uitgaan van de laatste loonstrook. De man heeft zijn stelling dat uitgegaan moet worden van € 40.000,- bruto per jaar ook niet nader onderbouwd.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de vrouw, ook in het kader van de kinderbijdrage, een verdiencapaciteit heeft. De rechtbank is van oordeel dat dit op termijn zeker van de vrouw verwacht zou mogen worden. Gelet op de situatie tijdens het huwelijk waarover de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij altijd minder verdiende en concessies heeft gedaan, het feit dat er pas sinds januari 2026 weer stabiliteit is in het leven van de vrouw als het gaat om haar woonsituatie en het belang van de minderjarigen dat zij niets of zo min mogelijk te kort komen, is dat nu nog te vroeg.
3.3.9.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar in deze beschikking als bijlage 1 opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.288,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 2.230,73
- werkgeversbijdrage AOV € 5,56
- IKB € 380,34
- pensioenpremie € 140,-
- premie AOP € 3,71
- premie AOV € 10
- premie WIA-WGA € 3,39
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
De rechtbank merkt hierbij op dat de vrouw zelf geen draagkrachtberekening heeft overgelegd en niet heeft kunnen toelichten op welke wijze haar IKB wordt opgebouwd, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de vrouw maandelijks een IKB bedrag opbouwt gelijk aan het bedrag vermeld op haar loonstrook van € 380,34 en daarnaast niet apart vakantiegeld ontvangt.
3.3.10.Tussen partijen is niet in geschil dat de man een belastbaar inkomen heeft van € 72.326,- per jaar. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking als bijlage 2 opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.881,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 5.339,- per jaar, waar de man gelet op zijn inkomen recht op heeft.
3.3.11.De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 166,- per maand voor de vrouw en € 1.436,- per maand voor de man.
3.3.12.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 166,- + € 1.436,- = € 1.602,-) lager is dan de behoefte van de minderjarigen (€ 1.638,-) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.
3.3.13.Zoals overwogen hebben partijen gelijkelijk de zorg over de minderjarigen. Daarbij hoort een zorgkorting van 35%. Daarnaast wordt de man geacht de verblijfsoverstijgende kosten van 30% voor zijn rekening te nemen.
3.3.14.De behoefte van de minderjarige bedraagt € 1.638,- per maand (tweemaal € 819,-), zodat de zorgkosten voor de vrouw € 573,- per maand bedragen en de zorgkosten voor de man € 1.065,-.
3.3.15.Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort (€ 36,-) aan beide ouders voor de helft (ieder € 18,-) toegerekend. Dit betekent dat de uiteindelijke zorgkosten voor de vrouw € 555,- per maand bedragen en de zorgkosten van de man € 1.047,-.
3.3.16.Afgezet tegen de beschikbare draagkracht komt de vrouw dus maandelijks een bedrag van € 389,- (€ 166,- minus € 555,-) te kort om te voorzien in de kosten van de kinderen, terwijl de man een bedrag van € 389,- (€ 1.436,- minus € 1.047,-) “overhoudt”.
3.3.17.Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 195,- per maand per kind in overeenstemming met voornoemde wettelijke maatstaven.
3.3.18.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.