Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4800

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/7148
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 PwArt. 16 PwArt. 18 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ingangsdatum bijstandsuitkering bij beëindiging gezamenlijke huishouding

Eiser heeft een bijstandsuitkering aangevraagd en betwist de door het college vastgestelde ingangsdatum van 12 maart 2025. Hij stelt dat de uitkering per 30 december 2024, de meldingsdatum, had moeten ingaan omdat hij en zijn ex-partner niet langer een gezamenlijke huishouding voerden.

De rechtbank stelt vast dat eiser en zijn ex-partner tot 12 maart 2025 op hetzelfde adres woonden en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Participatiewet. De ex-partner had bovendien een inkomen boven de bijstandsnorm, waardoor het rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding onweerlegbaar is.

Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om dit rechtsvermoeden te doorbreken, ondanks zijn betoog dat de samenwoning niet vrijwillig was en dat zij de lasten niet deelden. Ook de door eiser ingeroepen artikelen 16 en 18 van de Participatiewet bieden geen grond voor een eerdere ingangsdatum.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om vergoeding van griffierecht en proceskosten af en bevestigt dat de bijstand terecht is toegekend vanaf 12 maart 2025.

Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt toegekend vanaf 12 maart 2025, de datum waarop de gezamenlijke huishouding is beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en

het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee, het college

(gemachtigde: R. Achahbar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de bijstandsuitkering van eiser. Eiser is het niet eens met de door het college vastgestelde datum. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingangsdatum van de toegekende bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat er geen reden is de bijstandsuitkering eerder in te laten gaan dan 12 maart 2025
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 17 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college eiser een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) toegekend per 12 maart 2025.
2.1.
Met een besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, onder overneming van het advies van de Commissie bezwaarschriften van 21 juli 2025, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, L. Murad (tolk), mr. O.C. Bozbiyik, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 5 maart 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd. De gemachtigde van eiser heeft op 6 maart 2025 een aanvraag ingediend. De meldingsdatum van eiser is vastgesteld op 30 december 2024. Met het primaire besluit heeft het college eiser een bijstandsuitkering toegekend vanaf 12 maart 2025. Een van de twee aanvragen heeft het college afgewezen, omdat eiser maar één keer bijstand kan ontvangen.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft de bijstand toegekend vanaf 12 maart 2025, omdat dit de datum is waarvan aannemelijk is gemaakt dat eiser niet langer een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-partner, aangezien de ex-partner op die datum is verhuisd. Tot dat moment woonden eiser en zijn ex-partner op hetzelfde adres, en was er sprake van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Pw.
Het standpunt van eiser
4. Eiser betoogt dat de bijstandsuitkering per 30 december 2024 dient te worden toegekend, de dag dat hij zich bij het college heeft gemeld voor een bijstandsuitkering
.Eiser betwist dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat in zijn geval sprake was van voldoende feiten en omstandigheden op grond waarvan het college diende af te wijken van dit rechtsvermoeden. Eiser betoogt dat de keuze om nog te blijven samenwonen niet vrijwillig was, maar kwam door de oververhitte woningmarkt. Eiser en zijn ex-partner deelden de lasten niet meer. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft nagelaten de bijstand op grond van artikel 18 van Pro de Pw af te stemmen dan wel op grond van artikel 16 van Pro de Pw alsnog een bijstandsuitkering aan eiser toe te kennen per meldingsdatum.
Het oordeel van de rechtbank
5. Het college heeft de bijstandsuitkering terecht toegekend vanaf 12 maart 2025, en niet vanaf 30 december 2024. Eiser en zijn ex-partner woonden tot 12 maart 2025 samen en de ex-partner van eiser had inkomsten van ruim boven de bijstandsnorm. Hierdoor is er sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding op grond van artikel 3, derde lid, van de Pw. Hoewel tegenbewijs niet zonder meer is uitgesloten, heeft eiser niets naar voren gebracht dat daartoe strekt.
6. Eisers betoog dat het college op grond van artikel 18 van Pro de Pw kon afwijken van de
hoofdregel door de bijstand op een eerdere datum in te laten gaan, slaagt niet.
Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de Pw, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak [1] is voor een dergelijke afstemming slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Het is aan degene die zich beroept op deze afstemming om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
Afwijking van de hoofdregel is slechts mogelijk in gevallen waarin toepassing van het rechtsvermoeden wegens bijzondere individuele omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn.
Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking rechtvaardigen. Persoonlijke of financiële omstandigheden, zoals woningnood of het ontbreken van een bijdrage aan de vaste lasten, zijn niet voldoende om het onweerlegbare rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding te doorbreken.
7. Ook op artikel 16, eerste lid, van de Pw doet eiser tevergeefs een beroep, omdat deze bepaling in deze situatie niet van toepassing is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:69.