Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4634

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/8285
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 11 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor eerste maand huur wegens ontbreken actuele kosten

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de eerste maand huur. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat de eerste huurnota al was betaald voordat de aanvraag werd ingediend.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat er sprake was van bijzondere omstandigheden en dat het college geen rekening hield met een feitelijke dwangsituatie. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag terecht was afgewezen omdat de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd zich daadwerkelijk moesten voordoen volgens artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.

De rechtbank verwierp het betoog van eiser over bijzondere omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel, mede omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet eerder een aanvraag kon indienen en hij op de hoogte had kunnen zijn van de voorwaarden uit een eerdere procedure. Ook was er geen sprake van strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug. De uitspraak werd mondeling gedaan op 17 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor de eerste maand huur wordt ongegrond verklaard omdat de kosten al waren voldaan bij de aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8285

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de eerste maand huur.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 20 juni 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met een besluit van 11 september 2025 (het betreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben de rechtbank bericht niet te zullen verschijnen.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college terecht de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de eerste maand huur heeft afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de eerste maand huur terecht afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 35, eerste lid, van de Pw. [1] In dat artikel is bepaald dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich moeten voordoen. Eiser heeft de eerste huurnota betaald op 22 april 2025 om 15:33 uur. Op 22 april 2025 om 19.40 uur heeft eiser per e-mail een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de eerste huurnota ingediend. Op het moment van de aanvraag waren er geen daadwerkelijke kosten meer, omdat er al in de kosten was voorzien. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet hierop hoeft het betoog van eiser dat sprake is van bijzondere omstandigheden geen bespreking meer.
2.2.
Het betoog van eiser dat het college geen rekening houdt met een feitelijke situatie van dwang, slaagt niet. Anders dan eiser meent, is er volgens de rechtbank voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen ruimte, gezien het verplichtende karakter van artikel 35, eerste lid, van de Pw. [2] Overigens heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet voorafgaand aan de betaling van de eerste huur een aanvraag om bijzondere bijstand in kon dienen. Daarnaast had eiser, gezien de uitspraak van deze rechtbank van 11 september 2025 [3] in een eerdere vergelijkbare procedure van eiser kunnen weten wat de voorwaarden voor toekenning van bijzondere bijstand zijn.
2.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er bestaat geen aanleiding tot een vergoeding van de proceskosten van eiser. Ook krijgt hij zijn griffierecht niet terug.
4. Door de rechtbank is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In samenhang met artikel 11 van Pro de Pw.
2.Zie de uitspraak van Centrale Raad van Beroep van 18 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:488.
3.Bekend onder zaaknummer ROT 25/3046.