ECLI:NL:RBROT:2026:4516
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening bij dwangsom
Verzoeker had een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens drugshandel en maakte bezwaar tegen dit besluit. Hij vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de invordering van de dwangsom te schorsen. De burgemeester schortte de invordering op, hoewel nog geen invorderingsbeschikking was genomen.
Verzoeker trok vervolgens het verzoek om voorlopige voorziening in en vroeg om een proceskostenveroordeling van de burgemeester. De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel de burgemeester aan het verzoek tegemoet was gekomen door de invordering op te schorten, het verzoek om voorlopige voorziening niet noodzakelijk was omdat er nog geen invorderingsbeschikking was.
Verder was het beleid van de burgemeester om het invorderingsproces stil te leggen bij bezwaar. Verzoeker had ook de mogelijkheid gehad om contact op te nemen naar aanleiding van de factuur. Daarom werd het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter zonder zitting en is onherroepelijk. De zaak betreft de toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de context van voorlopige voorzieningen en dwangsommen.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het verzoek om voorlopige voorziening niet noodzakelijk was en de burgemeester nog geen invorderingsbeschikking had genomen.