Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 3 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- de (aangepaste) antwoordakte uitlaten schadeopstelling van Ravestein.
2.De beoordeling in zaak 23-969
In conventie
3.De beoordeling in zaak 21-308 in conventie
4.De beoordeling in zaak 21-308 in reconventie
(1) er sprake is van een rechtvaardigingsgrond waardoor Ravestein als beslaglegger niet aansprakelijk is voor de door het beslag vermeend geleden schade.
Bovendien leidt dit feitencomplex ertoe dat (2) Ravestein in het algemeen betwist dat MacGregor schade heeft geleden als gevolg van het beslag, althans (3) dat de vermeende schade in csqn-verband staat met de beslaglegging. Voor zover MacGregor al schade zou hebben geleden als gevolg van het beslag, (4) staat deze in een te ver verwijderd verband met de beslaglegging en kan deze ex artikel 6:98 BW Pro niet aan Ravestein worden toegerekend, (5) heeft deze niet de door MacGregor gestelde omvang, althans had zij (6) die schade eenvoudig kunnen, en gelet op artikel 6:101 BW Pro ook moeten voorkomen, aldus Ravestein.
- (i) Het beslag heeft geen doel getroffen, omdat de Linkspan Calais 10 geen eigendom was van Cargotec. De linkspan had daarom ondanks het beslag op de geplande datum de haven kunnen verlaten en kunnen worden vervoerd naar Calais.
- (ii) Er is geen sprake geweest van een aangepaste planning als gevolg van het beslag. De stellingen van MacGregor c.s. over de planning kloppen niet met de overgelegde stukken, zijn niet consistent en op geen enkele manier onderbouwd. Ravestein betwist dat de oorspronkelijke vervoersdatum 16 juli 2020 was. Als er al vertraging is opgelopen, dan had die volgens haar niets te maken met het beslag.
- Primair: de kosten en het causaal verband zijn onvoldoende toegelicht. MacGregor c.s. hebben voor het overgrote deel van de gevorderde facturen nagelaten om toe te lichten (1) op welke specifieke kosten de facturen precies zien, (2) waarom deze kosten nodig waren en (3) dat en waarom deze kosten zouden zijn uitgebleven als het beslag niet was gelegd.
- Subsidiair: de gevorderde kosten vallen ofwel onder het bereik van de al uitgesproken proceskostenveroordeling (in het opheffingskortgeding), ofwel onder het bereik van de proceskostenveroordeling die in deze zaak wordt uitgesproken.
- Meer subsidiair: de kosten zijn buitenproportioneel hoog.
- Nog meer subsidiair: MacGregor c.s. hadden zich de kosten kunnen en moeten uitsparen. Het starten van een opheffingskortgeding en het voorstellen van een bankgarantie was niet nodig geweest.
- Wat betreft de huurkosten voor materiaal van Loxam (€ 58.415,00 over de periode juli tot en met september 2020): de overgelegde facturen tellen niet op tot het door MacGregor c.s. genoemde bedrag van € 58.415,00, maar tot een bedrag van € 14.629,39. Het restant wordt in het geheel niet onderbouwd. Het overleggen van losse facturen zonder concrete toelichting is daarnaast niet voldoende. Per factuur had tenminste moeten worden toegelicht op welke objecten de factuur ziet, waar deze objecten precies voor nodig waren, waar de objecten voor zijn gebruikt en wanneer, dat en waarom deze objecten in een bepaalde periode niet konden worden gebruikt en hoe dit zich verhoudt tot de vermeende (oorspronkelijke) planning. Volgens Ravestein heeft het er alle schijn van dat de gehuurde objecten juist wel zijn gebruikt in de periode waarin ze zijn gehuurd.
- Wat betreft de huurkosten van Schiepo (€ 18.712,94 over augustus 2020): deze kosten zouden ook zijn gemaakt als het beslag was uitgebleven. De betreffende huurovereenkomst is in februari 2019 gesloten voor een vaste periode van 1 januari 2020 tot en met het einde van 2020. MacGregor ging er dus zelf al vanuit dat zij minimaal tot het einde van het jaar bezig zou zijn met het assembleren en vervoeren van de linkspans. Het betalen van huur over de maand augustus 2020 was dus hoe dan ook nodig.
- Wat betreft de huurkosten van BOA (€ 22.643,00 over september 2020): Ravestein betwist dat MacGregor deze kosten heeft gemaakt. Uit de door MacGregor c.s. overgelegde huurovereenkomst blijkt op geen enkele manier hoe het vermeende bedrag is opgebouwd, waar de vermeende kosten precies uit bestaan en waarom sprake is van extra huurkosten die zonder het beslag niet zouden zijn gemaakt. Een factuur en een betalingsbewijs ontbreken. Het is volgens Ravestein zeer aannemelijk dat de kosten ook zonder beslag zouden zijn gemaakt, aangezien er blijkens de stellingen van MacGregor c.s. in juli en november 2020 nog onderdelen binnenkwamen voor de Linkspans Calais 11 en 12. Huurkosten in september 2020 waren dus hoe dan ook nodig voor de assemblage en het vervoer van de linkspans.
- Wat betreft de demurragekosten (overliggeld) van BOA (€ 371.250,00 over de periode september tot en met november 2020): omdat er in november 2020 nog onderdelen arriveerden is het zeer onaannemelijk dat sprake is van extra kosten die zonder het beslag niet zouden zijn gemaakt. Daarnaast is een concrete toelichting op de facturen uitgebleven. Niet uitgesloten kan worden dat sprake is van overlap met de hiervoor besproken huurkosten van BOA.
- Van MacGregor mag worden verwacht dat zij niet alleen volledige transparantie betracht over de oorspronkelijke en eventueel later aangepaste planning, maar ook dat zij per gevorderde factuur, althans per gevorderd deel daarvan, toelicht en onderbouwt (1) welke onderdelen er zijn opgeslagen, (2) waar die onderdelen voor nodig waren c.q. voor werden gebruikt, (3) welke kosten aan die specifieke onderdelen zijn verbonden en (4) hoe het opslaan van de betreffende onderdelen zich concreet verhoudt tot de vermeende aanpassingen op de planning door het beslag. MacGregor heeft dat niet gedaan.
- Wat betreft de opslagkosten van Chr.Th. Boe over september 2020 (€ 65.000,00): uit de overgelegde facturen kan niet worden afgeleid dat als gevolg van het beslag extra opslagkosten zijn gemaakt.
- Wat betreft de opslagkosten van Chr.Th. Boe over juli tot en met oktober 2020 (€ 109.534,00) en over oktober en november 2020 (€ 65.034,00): op de beide facturen verwijst slechts één post naar de opslag in verband met de tweede respectievelijk de derde linkspan. Deze posten zijn niet consistent met de stellingen van MacGregor tijdens de zitting over (de opslag van onderdelen van) deze linkspans. Daarnaast is onduidelijk welke onderdelen er precies zijn opgeslagen en met welk doel. De overige posten op de facturen zien niet op opslagkosten.
- Wat betreft de opslagkosten van Bonn & Mees (€ 192.485,00 over juli, september en november 2020): uit de omschrijving van de overgelegde facturen volgt niet dat deze zien op opslagkosten, laat staan op opslagkosten die verband houden met de linkspans. Sterker nog, de kosten lijken te zien op het simpelweg laden en lossen van aangekomen onderdelen en niet op het extra opslaan daarvan. Ravestein betwist dat de kosten zonder het beslag zouden zijn uitgespaard.
- Wat betreft de personeelskosten: MacGregor licht niet toe en onderbouwt niet dat deze kosten (1) überhaupt zijn gemaakt en (2) zouden zijn uitgebleven als er geen beslag was gelegd. Subsidiair geldt dat MacGregor deze schade zeer eenvoudig had kunnen en ook moeten voorkomen en dat de schade in een te ver verwijderd verband met het beslag staat. Het beslag voorkwam namelijk niet dat aan de Linkspan Calais 10 kon worden doorgewerkt. De betreffende medewerkers zijn niet ingevlogen voor vervoers-, maar voor installatiewerkzaamheden. De door MacGregor c.s. overgelegde stukken bevestigen dat er in de genoemde week (13 tot en met 19 juli 2020) gewoon is doorgewerkt aan de installatie van de Linkspan Calais 10. Uit de stukken blijkt ook dat de datum van 16 juli 2020 – voor zover al ingepland – ook zonder beslag nooit zou zijn gehaald. Voor zover er al vertraging is ontstaan, houdt die dus geen verband met het door Ravestein gelegde beslag. Ook betwist Ravestein de schadebegroting. Het uurtarief van € 300,00 is volgens haar niet juist.
- Wat betreft de huisvestingskosten: omdat er geen werkuren verloren zijn gegaan en er geen vertraging is opgelopen door het beslag, komen ook deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast blijkt uit de overgelegde factuur dat de kosten in rekening zijn gebracht aan MacGregor Poland en blijkt nergens uit dat de kosten aan MacGregor zijn doorbelast. De factuur is van 2 maart 2020 (en dus ruimschoots voor de beslaglegging) en heeft betrekking op de periode van 29 juni 2020 tot en met 31 juli 2020. Het is dus evident onjuist dat het geboekte verblijf als gevolg van het beslag is aangepast. Ook deze factuur voedt het vermoeden van Ravestein dat de stellingen van MacGregor c.s. over de vermeende oorspronkelijke planning en het aanpassen daarvan als gevolg van het beslag niet juist zijn.
- Primair: de kosten zijn onvoldoende toegelicht. MacGregor c.s. hebben nagelaten om toe te lichten (1) hoe zij zijn gekomen tot (in totaal) 610 uren, (2) waarom deze kosten nodig waren, (3) waarom deze kosten zouden zijn uitgebleven als het beslag niet was gelegd en (4) waarom 70% van deze kosten (en dus 427 uur) betrekking heeft op werkzaamheden in verband met de beslaglegging en het opheffingskortgeding. Ook betwist Ravestein het uurtarief van € 130,00.
- Subsidiair: de kosten vallen onder de proceskostenveroordeling en kunnen niet separaat worden gevorderd.
- Meer subsidiair: de kosten zijn buitensporig hoog.
- Nog meer subsidiair: de kosten hadden kunnen en moeten worden bespaard. Omdat het beslag geen doel heeft getroffen, was het opheffingskortgeding niet nodig.