ECLI:NL:RBROT:2026:4444

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/12007
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WpgArt. 27 WpgArt. 13 WwftArt. 14 WwftArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering inzage verdachte transactiedetails door FIU-NL in bestuursrechtelijke procedure

Eiseres verzocht om inzage in het advies van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) waarin zij voorkomt met verdachte transacties. De minister verstrekte het advies deels, maar weigerde inzage in de details van de verdachte transacties op grond van artikel 27 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg).

De rechtbank Rotterdam oordeelde dat zij bevoegd is het beroep te behandelen en dat de minister de weigering van inzage voldoende heeft gemotiveerd. De belangen van internationale samenwerking en vertrouwelijkheid wegen zwaarder dan het belang van eiseres bij inzage, ook gezien het ontbreken van een lopend opsporingsonderzoek.

Eiseres wilde met inzage de juistheid van de verdachte transacties betwisten, maar de rechtbank stelde dat de FIU-NL niet de taak heeft om de juistheid van buitenlandse transacties te controleren. Het beroep is ongegrond verklaard, maar de minister moet het griffierecht en proceskosten vergoeden vanwege een motiveringsgebrek dat is hersteld.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van inzage in details van verdachte transacties en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/12007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Groen),
en

de minister van Justitie en Veiligheid (de minister)

(gemachtigden: mr. T. Gilhaus en mr. E.W.V. Stevens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister het verzoek van eiseres om inzage in bepaalde gegevens terecht heeft geweigerd. Eiseres is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de inzage terecht heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 6 september 2024 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag van eiseres om een machtiging voor voorlopig verblijf voor haar en haar partner afgewezen. Die beslissing is gebaseerd op een advies van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) van 13 augustus 2024 waaruit blijkt dat eiseres in de transactiedatabase van de FIU-NL voorkomt met een of meerdere verdachte transactie(s).
2.1.
Eiseres heeft op 26 september 2024 bij de FIU-NL verzocht om inzage in dat advies.
2.2.
Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister het verzoek van eiseres om inzage met toepassing van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg) deels ingewilligd (het advies van de FIU-NL is verstrekt) maar deels niet ingewilligd omdat er geen inzage wordt gegeven in de details van de verdachte transactie (VT).
2.3.
Eiseres heeft hiertegen rechtstreeks beroep ingesteld.
2.4.
De minister heeft bij brief van 11 maart 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
2.5.
De minister heeft bij brief van 11 augustus 2025 een document met daarin de details van de VT (bijlage 1) en bij brief van 9 januari 2025 een nadere toelichting (bijlage 2) en een Memorandum of Understanding tussen de [naam unit] en FIU-NL (bijlage 3) overgelegd en daarbij meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken (artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, Awb).
2.6.
De rechtbank heeft op 4 december 2025 voor bijlage 1 en op 19 januari 2026 voor bijlagen 2 en 3 beslist de beperkte kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd te achten. Eiseres heeft hierop bij brief van 10 december 2025 respectievelijk 21 januari 2026 de rechtbank toestemming verleend [1] de bijlagen bij de beoordeling van het beroep te betrekken.
2.7.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
Eiseres heeft bij brief van 23 januari 2026 een reactie op dit verweerschrift ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van de minister en mr. E. Elbers, werkzaam bij FIU-NL.

Beoordeling door de rechtbank

Bevoegdheid rechtbank
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of zij bevoegd is om kennis te nemen van dit beroep. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
3.1.
De minister heeft op het verzoek om inzage besloten met toepassing van artikel 25 van Pro de Wpg. Tegen besluiten op grond van artikel 25 van Pro de Wpg staat rechtstreeks beroep open [2] en dan zou, omdat eiseres woonachtig is in het buitenland, de rechtbank Den Haag bevoegd zijn om kennis te nemen van dat beroep.
3.2.
De gegevens waarop het inzageverzoek ziet, zijn naar het oordeel van de rechtbank echter gegevens verwerkt voor de taak als bedoeld in artikel 13 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). [3] Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wwft kunnen bij de FIU-NL persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 13 van Pro de Wwft. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat op de verwerking van persoonsgegevens door de FIU-NL (onder meer) artikel 25 en Pro 27 van de Wpg van overeenkomstige toepassing zijn, waarbij voor de FIU-NL als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel f, van de Wpg wordt aangemerkt de minister van Justitie en Veiligheid.
3.3.
Nu op grond van de Wwft artikelen 25 en 27 van de Wpg van overeenkomstige toepassing zijn verklaard en de rechtbank in eerste aanleg als enige bevoegd is om kennis te nemen van besluiten op grond van de Wwft [4] , acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het beroep.
Aanvulling grondslag afwijzing inzage details VT
4. Het verzoek van eiseres om inzage in de details van de VT als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg is in het bestreden besluit door de minister afgewezen omdat de minister dit een noodzakelijke en evenredige maatregel acht ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (artikel 27, eerste lid onder b, van de Wpg). In het verweerschrift voert de minister als (aanvullende) grondslag voor de afwijzing ook aan dat dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden (artikel 27, eerste lid onder d, van de Wpg).
5. In een reactie daarop heeft eiseres gesteld dat in het verweerschrift artikel 27, eerste lid onder b, van de Wpg geen grondslag meer is voor de afwijzing en dat die afwijzing enkel nog geplaatst wordt in het kader van (het behoud van) de relatie van (FIU) Nederland met (FIU) [naam land], die hierdoor zouden kunnen worden geschaad. Dit vormt een geheel andere motivering dan die wordt gegeven in het bestreden besluit en kan dan ook niet worden meegenomen in de beoordeling van het beroep. De rechtbank leest dit als dat eiseres stelt dat artikel 27, eerste lid onder d, van de Wpg niet alsnog aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd.
6. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verweerschrift artikel 27, eerste lid onder b, van de Wpg niet heeft laten vallen, maar haar motivering heeft aangevuld met artikel 27, eerste lid onder d, van de Wpg. De rechtbank beoordeelt deze aanvulling van de grondslag als een motiveringsgebrek van het bestreden besluit, dat de minister in het verweerschrift heeft gerepareerd. De rechtbank ziet aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [5] te passeren nu eiseres in beroep op deze grondslag heeft kunnen reageren en dat met haar reactie op het verweerschrift ook heeft gedaan.
Waar gaat het geschil over?
7. De minister motiveert de afwijzing van de inzage in de details van de VT met een verwijzing naar de wettelijke taak van de FIU-NL. De FIU-NL is op grond van de Wwft het centrale meldpunt waar meldingsplichtige instellingen ongebruikelijke transacties rapporteren. De FIU-NL heeft (onder meer) tot wettelijke taak (i) om gegevens te verzamelen om te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn voor het voorkomen en opsporen van misdrijven en (ii) het onderhouden van contacten met buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die een vergelijkbare taak hebben als de FIU-NL (artikel 13, aanhef onder a en h, van de Wwft).
8. Eiseres heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning als vermogende vreemdeling gedaan. Het voorheen geldende beleid [6] inzake de toelating van vermogende vreemdelingen was opgenomen in artikel B11, 2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2016, nr. 16221) [7] . Uit dat beleid blijkt dat de IND de FIU-NL verzoekt “te toetsen of ten aanzien van de vreemdeling verdacht verklaarde transacties bekend zijn.” Vervolgens bepaalt het beleid dat de IND de verblijfsvergunning niet verleent of deze intrekt als de FIU-NL meldt dat gebleken is dat de vreemdeling betrokken is bij één, of meerdere, als verdacht verklaarde transactie(s). Ook bepaalt het beleid dat als de FIU-NL meldt dat geen informatie uit het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan worden verkregen met betrekking tot het vermogen van de vreemdeling, de verblijfsvergunning in de regel evenmin wordt verleend.
9. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de toets van de FIU-NL dan ook is beperkt tot de vaststelling of een verdacht verklaarde transactie aanwezig is en dat het de bevoegdheid en wettelijke taak van de FIU-NL te buiten gaat om de juistheid van de buitenlandse VT te controleren. Anders dan eiseres stelt is de FIU-NL geen adviseur van de IND in de zin van de Awb. [8] In deze beroepsprocedure staat dan ook enkel centraal de vraag of de FIU-NL op goede gronden inzage heeft geweigerd in de details van de VT. De vordering van eiseres om de minister (meer concreet: de FIU-NL) op te dragen een handmatige beoordeling naar Nederlandse standaarden uit te voeren op de door de [naam unit] als verdacht aangemerkte transactie valt buiten de beoordeling van de rechtbank.
Heeft de minister de inzage in details VT terecht geweigerd?
10. Het recht op inzage is geen absoluut recht. Uit artikel 27, eerste lid, van de Wpg, volgt dat een verzoek om kennisneming wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is vanwege de in die bepaling vermelde belangen. [9] Deze norm betreft een omzetting van de Europese Richtlijn 2016/680. [10] Bij de beoordeling van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan een uitzonderingsgrond van artikel 27 Wpg Pro toetst de bestuursrechter zonder terughoudendheid of het door het bestuursorgaan ingeroepen andere en zwaarder wegende belang dan het belang bij inzage, zich feitelijk voordoet. Een bestuursorgaan heeft vervolgens beoordelingsruimte bij de te maken afweging tussen het belang bij inzage en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Dit betekent dat de bestuursrechter de afweging door een bestuursorgaan van de belangen terughoudend toetst. De bestuursrechter toetst dus of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van inzage niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang.
11. De minister beroept zich op de in artikel 27, eerste lid onder b en d, van de Wpg vermelde belangen. Hij stelt dat de internationale samenwerking, waaronder gegevensuitwisseling, van cruciaal belang is voor de effectieve uitoefening van de taak van FIU-NL. Zo is de FIU-NL waar het een aanvraag van een verblijfsvergunning vermogende vreemdeling betreft volledig afhankelijk van de bereidwilligheid van buitenlandse FIU’s om informatie over de vreemdeling te verstrekken. Om de effectieve internationale samenwerking te borgen, vindt de uitwisseling plaats onder – op het niveau van de Nederlandse en [Staat] overeengekomen – strikte vertrouwelijkheid. Schending van de overeengekomen vertrouwelijkheid vormt een risico voor de internationale samenwerking die noodzakelijk is voor de voorkoming, opsporing en onderzoek naar witwassen en terrorismefinanciering. De met inzage gepaarde inbreuk op de vertrouwelijkheid zal tot het ongewenste gevolg leiden dat in ieder geval de [naam unit] en voorts andere buitenlandse FIU’s niet, of minder, bereid zijn om inlichtingen te delen met FIU-NL. Bevoegde autoriteiten mogen volgens de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) [11] weigeren te voldoen aan een informatieverzoek als de bevoegde autoriteit die om informatie verzoekt de vertrouwelijkheid niet kan waarborgen. Gezien het belang van de internationale uitwisseling van inlichtingen voor de opsporing van witwassen en het financieren van terrorisme, acht de minister de weigering van inzage noodzakelijk ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten. De minister benadrukt in dit verband dat een inbreuk op de vertrouwelijkheid van de gegevensuitwisseling bovendien naar zijn aard leidt tot een ernstig nadelig effect op de internationale (diplomatieke) verhoudingen met [naam land] en andere landen die zich hebben aangesloten bij de FATF. In zoverre is de weigering van inzage niet enkel noodzakelijk in het licht van artikel 27, eerste lid, onder b, Wpg, maar ook in het licht van de diplomatieke belangen van de Staat (artikel 27, eerste lid, onder d, Wpg, ‘bescherming van de rechten en vrijheden van derden’).
11.1.
De minister stelt daarbij dat het belang van de FIU-NL niet bij voorbaat prevaleert, maar wel in beginsel [12] en dat daarvoor een zorgvuldige individuele belangenafweging dient plaats te vinden. Volgens de minister is bij eiseres sprake van een aanzienlijk belang bij inzage (vanwege de procedure over de afgewezen aanvraag bij IND om een verblijfsvergunning vermogende vreemdeling), maar is niet gebleken van een zeer bijzondere situatie, waarbij de gevolgen van een afwijzing van het inzageverzoek zodanig uitzonderlijk en ook schadelijk zijn dat de belangen van de (preventie) van de opsporing en bescherming van de rechten en vrijheden van derden hiervoor moeten wijken. Hierbij weegt zwaar mee dat Vreemdelingencirculaire spreekt over de aanwezigheid van een VT – althans de afwezigheid daarvan als voorwaarde – en niet uitgaat van een zorgvuldige individuele toetsing van de context van de VT.
12. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister geen op haar zaak van toegespitste individuele belangenafweging heeft gemaakt, waarom het evenredig en noodzakelijk zou zijn om het verstrekken van de details VT te weigeren. Eisers betoogt [13] dat het recht op inzage ervoor is bedoeld om te controleren of de opgenomen informatie juist is, en dat zij in dat licht de mogelijkheid moet krijgen gemotiveerd te betwisten dat er sprake is van een VT. Zij heeft om die reden inzage in de details nodig van de financiële transactie die tot registratie van de VT heeft geleid. De minister dient die te verstrekken. Verder is nog van belang dat er in het geval van eiseres geen (lopend) opsporingsonderzoek of strafvervolging naar haar doen en laten is. Dit betekent ook dat de belangenafweging tot inzage veel eerder in het voordeel van eiseres dient uit te vallen. Zelfs indien er wel sprake is van een lopend politieonderzoek naar de aanvrager, moet er specifiek worden gemotiveerd waarom er geen inzage wordt verstrekt van de gevraagde gegevens. [14] De VT heeft in [naam land] plaatsgevonden en schendt niet de Nederlandse of Europese openbare orde en de [naam unit] hanteert een ander toetsingskader dan de FIU-NL ten aanzien van VT’s’. Met een VT in [naam land] zou in feite een ‘ongebruikelijke transactie’ (in de zin van de Wwft) naar Nederlands recht bedoeld zijn.
13. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken en geconstateerd dat bijlagen 2 en 3 de motivering van de minister neergelegd in het bestreden besluit zoals aangevuld bij het verweerschrift ondersteunen. De minister heeft met het bestreden besluit, aangevuld met deze vertrouwelijke bijlagen, voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de in artikel 27, eerste lid onder b en d, van de Wpg vermelde belangen geschaad worden door inzage van eiseres in de VT. Verder overweegt de rechtbank dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom in het individuele geval van eiseres haar belang bij inzage niet opweegt tegen de genoemde belangen van weigering van inzage. De omstandigheid dat eiseres door geen inzage in de VT te krijgen geen mogelijkheid krijgt om alsnog een verblijfsvergunning vermogende vreemdeling te ontvangen van de IND, is een belang dat is meegewogen in het bestreden besluit. Met de uitkomst van deze afweging is de minister zijn beoordelingsruimte niet te buiten gegaan. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de met de weigering van de inzage gepaard gaande nadelige gevolgen voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering te dienen doelen, waaraan de minister zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen.
13.1.
De rechtbank constateert dat eiseres beoogt te bereiken dat de FIU-NL niet langer de VT als zodanig aanmerkt, zodat de IND deze VT niet (langer) aan de weigering van de verblijfsvergunning ten grondslag kan leggen. De minister heeft echter met juistheid gesteld dat het niet aan de FUI-NL is om de juistheid van de buitenlandse VT te controleren. FIU-NL heeft in dit verband immers slechts tot taak om de IND te informeren over de aanwezigheid van een VT.
Verder constateert de rechtbank dat eiseres in wezen beoogt haar recht op rectificatie uit te oefenen. Wat eiseres heeft aangevoerd komt er immers in feite op neer dat naar haar mening de door de [naam unit] getrokken conclusie niet terecht is. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor zover eiseres gebruik wenst te maken van haar van het inzagerecht afgeleide belang van de mogelijkheid van rectificatie, [15] zij lijkt uit te gaan van een te ruime uitleg van dat rectificatierecht. Het is vaste rechtspraak [16] dat dat recht niet is bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen inzage krijgt in de details VT. Gelet op het oordeel onder overweging 6 hierboven, dat sprake is van strijd met artikel 6:22 van Pro de Awb, moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt dan ook € 1.868,-. De minister moet de proceskostenvergoeding betalen
.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: Wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij de bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het besluit in bezwaar is genomen.
Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g van de Awb, gelezen in samenhang met de bij deze wet horende bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’ staat tegen besluiten op grond van artikel 25 en Pro 28 van de Wpg rechtstreeks beroep open.
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)
Artikel 13, aanhef onder a, b en i:
De Financiële inlichtingen eenheid heeft met het oog op het voorkomen en opsporen van witwassen en onderliggende basisdelicten, alsmede financieren van terrorisme, tot taak:
a. het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het verkrijgt, teneinde te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn voor het voorkomen en opsporen van misdrijven;
b. het verstrekken van persoonsgegevens en andere gegevens in overeenstemming met deze wet en het bij of krachtens de Wet politiegegevens bepaalde;
i. het onderhouden van contacten met buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die een vergelijkbare taak hebben als de Financiële inlichtingen eenheid.
Artikel 14
1. Bij de Financiële inlichtingen eenheid kunnen persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 13.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de categorieën van personen waarover de Financiële inlichtingen eenheid gegevens verwerkt, de gegevensverstrekking en verbanden met andere verzamelingen van persoonsgegevens, de bewaring en vernietiging van gegevens en de protocolplicht.
3. Op de verwerking van persoonsgegevens door de Financiële inlichtingen eenheid zijn de artikelen 1, 2, 3, eerste en tweede lid, 4, 4a, 4b, 4c, 5, 6, 6a, 6b, 6c, 7, 7a, 15, 15a, 16, eerste lid, onderdelen a en b, 17, 17a, 18, 22 en 23, 24a tot en met 33b, alsmede de artikelen 35 tot en met 36 van de Wet politiegegevens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de Financiële inlichtingen eenheid als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel f, van die wet wordt aangemerkt Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
Wet politiegegevens (Wpg)voor zover relevant
Artikel 25
1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:
a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
b. de betrokken categorieën van politiegegevens;
c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;
f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
2. De verwerkingsverantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale eenheden of bij een landelijke eenheid van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 27
1. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste en tweede lid, wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is:
b. ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
d. ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden;
2. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en bevat de redenen voor de afwijzing.
Artikel 28
1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
2. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende politiegegevens te verkrijgen indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of om te voldoen aan een wettelijke verplichting. In plaats van vernietiging draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor afscherming als:
a. de juistheid van de gegevens door de betrokkene wordt betwist en de juistheid of onjuistheid niet kan worden geverifieerd, in welk geval de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informeert voordat de afscherming wordt opgeheven, of
b. de gegevens moeten worden bewaard als bewijsmateriaal.

Voetnoten

1.Op basis van het vijfde lid van artikel 8:29 van Pro de Awb.
2.Op basis van Bijlage 1 van de Awb.
3.Op grond van artikel 13, aanhef en onder a, van de Wwft heeft de FIU-NL met het oog op het voorkomen en opsporen van witwassen en onderliggende basisdelicten, alsmede financieren van terrorisme, tot taak het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het verkrijgt, teneinde te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn voor het voorkomen en opsporen van misdrijven.
4.Op grond van artikel 8:7, derde lid van de Awb in samenhang met artikel 7 van Pro Bijlage 2 van de Awb.
5.Artikel 6:22 van Pro de Awb: Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
6.De verblijfsregeling voor vermogende vreemdelingen is per 17 april 2024 afgeschaft (Stb. 2024, 83). Gelet op het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel IV, onderdeel 1, van het gewijzigde Vreemdelingenbesluit blijft het mogelijk om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, als de vreemdeling aan de geldende voorwaarden voldoet en de aanvraag is ingediend voor datum 17 april 2024 (Stcrt. 2024, 13488, pagina 4). Eiseres heeft de aanvraag gedaan op 18 maart 2024.
7.Pagina 18 en 19 van de Vreemdelingencirculaire, ad 4.
8.Geen wettelijke adviseur in de zin van afdeling 3.3 van de Awb en ook geen andere soort adviseur.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3139, en 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3350. Zie ook Kamerstukken II, 2017-2018, 34 889, nr. 3, p. 80.
10.Richtlijn 2016/680, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
11.De FATF bestaat inmiddels uit ongeveer 40 leden, waaronder de G7-landen, de Europese Commissie, en landen zoals de Verenigde Staten, China, Australië, en Nederland. De FATF is opgericht om standaarden en richtlijnen te ontwikkelen voor de bestrijding van financiële criminaliteit. De belangrijkste standaard zijn de FATF Aanbevelingen die landen helpen bij het opzetten van wetgeving en procedures (zoals internationale gegevensuitwisseling) om financiële
12.Onder verwijzing naar een uitspraak van 25 juni 2024 van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2024:6339.
13.Onder verwijzing naar een uitspraak van 13 juli 2022 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:2007 punt 6.2.
14.Eiseres verwijst naar een uitspraak van 13 juli 2022 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:2007 punt 6.2.
15.Van artikel 28, eerste lid, van de Wpg.
16.Bijvoorbeeld uitspraak van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:807 punt 4.1.