Eiseres verzocht het college handhavend op te treden tegen het zonder vergunning ophogen van gronden, het aanleggen van keerwanden en muren, en het bouwen van bouwwerken in afwijking van verleende vergunningen nabij haar perceel dat binnen de waterkering ligt.
Het college wees het verzoek af met diverse motieven, waaronder herhaling van verzoeken, bevoegdheidsbeperkingen en onevenredigheid. De rechtbank oordeelt dat het college geen controlerapport heeft overgelegd en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen overtredingen zijn of waarom handhaving achterwege kan blijven, wat strijdig is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
De rechtbank stelt dat het college bevoegd is om handhavend op te treden binnen de zonering van de waterkering en dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de ophoging en bouwwerken in strijd zijn met de Waterwet en vergunningen. Ook is het standpunt van het college dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie niet onderbouwd.
Verder oordeelt de rechtbank dat tijdsverloop geen reden is om af te zien van handhaving en dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, waardoor de Staat een schadevergoeding moet betalen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het griffierecht en proceskosten aan eiseres worden vergoed.