Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4238

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
12018937 RR FORM 25-148
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:754 BWArt. 7:760 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht over tijdige waarschuwing bij niet-verwijderen muurtje in keukeninstallatie

Eiser bestelde een keuken via IKEA en schakelde gedaagde B.V. in voor inmeten en installatie. Tijdens het inmeten werd afgesproken dat een rood omlijnd muurtje in de keuken verwijderd moest worden om plaatsing van een kast mogelijk te maken. Gedaagde verwijderde het muurtje niet vanwege leidingen en elektra, waardoor de keuken niet volgens tekening kon worden geplaatst. Gedaagde plaatste de keuken aangepast, maar eiser was ontevreden en vorderde schadevergoeding.

Gedaagde betwist dat het muurtje verwijderd moest worden en stelt dat alleen een koofje, onderdeel van een dragende muur, was afgesproken te verwijderen. De rechter oordeelt dat partijen het verwijderen van het muurtje zijn overeengekomen, mede op basis van tekeningen en e-mailcorrespondentie. De vraag is of gedaagde tijdig heeft gewaarschuwd dat verwijdering niet mogelijk was.

De rechter wijst een bewijsopdracht toe aan gedaagde om aan te tonen dat zij redelijkerwijs pas op 4 maart 2025 kon weten dat het muurtje niet verwijderd mocht worden en dat zij eiser tijdig heeft gewaarschuwd. Indien gedaagde hierin slaagt, is zij niet aansprakelijk voor schadevergoeding. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en verdere beslissing.

Uitkomst: Gedaagde krijgt bewijsopdracht om aan te tonen dat zij tijdig heeft gewaarschuwd dat het muurtje niet verwijderd mocht worden; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12018937 RR FORM 25-148
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [vertegenwoordiger] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde B.V.] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het aanvraagformulier van [eiser] dat de rechtbank op 16 december 2025 heeft ontvangen, met bijlagen, en
  • de spreekaantekeningen van [eiser] ;
  • de foto’s van de keuken voordat [gedaagde B.V.] de werkzaamheden heeft uitgevoerd.
1.3.
Op 13 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig met zijn partner mevrouw [partner] . Namens [gedaagde B.V.] is de heer [vertegenwoordiger] verschenen met zijn adviseur.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] heeft bij IKEA een keuken besteld. Via IKEA is [eiser] bij [gedaagde B.V.] terechtgekomen voor het inmeten en installeren van de keuken. Tijdens het inmeten heeft [eiser] aangegeven dat de roodomlijnde muur op onderstaande foto verwijderd moet worden.
2.2.
In de offerte is opgenomen dat [gedaagde B.V.] een koofje weghaalt. Tijdens de werkzaamheden ter voorbereiding op de installatie van de keuken heeft [gedaagde B.V.] het muurtje niet verwijderd. Dit zou niet mogelijk zijn door leidingen en elektra die door het muurtje lopen. Hierdoor kon de keuken niet worden geplaatst zoals partijen zijn overeenkomen. De kast die achter het muurtje stond ingetekend, kan namelijk niet worden geopend door het muurtje dat is blijven staan. Als oplossing heeft [gedaagde B.V.] de keuken 25 centimeter naar rechts geplaatst en het werkblad en de achterwand korter gemaakt. Daarnaast is de kast die aan de rechterkant van het werkblad was ingetekend niet geplaatst om op die manier ruimte te winnen. [eiser] heeft aangegeven niet tevreden te zijn met deze oplossing en wil dat [gedaagde B.V.] alsnog het muurtje verwijdert en de keuken volgens afspraak en tekening installeert. [gedaagde B.V.] heeft gezegd dit niet te kunnen doen. [eiser] wil dan ook niet langer dat [gedaagde B.V.] het muurtje zelf verwijdert, maar dat [gedaagde B.V.] een schadevergoeding betaalt zodat hij een derde kan inschakelen om de muur te verwijderen en de keuken zoals overeengekomen te plaatsen. Ook wil hij dat [gedaagde B.V.] de kosten voor het betekenen van twee brieven betaald.
2.3.
[gedaagde B.V.] betwist dat zij de muur moet verwijderen. Zij beargumenteert dat partijen niet zijn overeengekomen dat deze muur verwijderd moest worden, maar in plaats daarvan de op de foto blauwomlijnde koof. Deze kon volgens [gedaagde B.V.] echter ook niet verwijderd worden. Het muurtje is onderdeel van een constructie (een dragende muur) en bevat elektriciteitskabels en leidingen. [gedaagde B.V.] mag geen constructiewerkzaamheden uitvoeren en kan deze muur dan ook niet verwijderen. [gedaagde B.V.] vindt tot slot dat zij [eiser] al heeft gecompenseerd door € 686,75 aan hem terug te betalen.
2.4.
De rechter gaat [gedaagde B.V.] een bewijsopdracht geven. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde B.V.] het muurtje verwijdert
2.5.
De vraag die allereerst voorligt, is of partijen hebben afgesproken dat het muurtje in de keuken moet worden verwijderd door [gedaagde B.V.] . [eiser] vindt dat partijen hebben afgesproken dat het muurtje moet worden verwijderd, zodat in die hoek de koelkast kan worden geplaatst. [gedaagde B.V.] vindt dat met de post ‘koofje weghalen’ niet wordt bedoeld dat het muurtje moet worden verwijderd. Wat partijen overeen zijn gekomen, moet worden beoordeeld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen hebben mogen afleiden en verwachten (Haviltex-maatstaf).
2.6.
De rechter stelt vast dat partijen hebben afgesproken dat het muurtje verwijderd moest worden. Ondanks dat in de offerte staat dat de koof wordt weggehaald, blijkt wel voldoende duidelijk dat partijen hebben bedoeld om het muurtje in de keuken te verwijderen. Er is in die hoek namelijk een (koel)kast ingetekend die niet kan worden geopend als het muurtje zou blijven staan. Die tekeningen waren bij [gedaagde B.V.] bekend. Dat de inmeter van [gedaagde B.V.] wist dat het muurtje verwijderd moest worden, blijkt ook uit de e-mail van 10 maart 2025, waarin [gedaagde B.V.] het volgende aangeeft: ‘
de rood omlijnde koof, die heeft de inmeter in overleg met u en de installateur niet weggehaald. Dit doordat er leidingen/elektra achter deze muur zit. Hierdoor kunnen wij deze niet weghalen. Dit is tijdens het inmeten niet te zien, hier kan de inmeter dan ook niks aan doen.’ Daarmee wordt impliciet aangegeven dat in eerste instantie ook [gedaagde B.V.] van mening was dat het muurtje door haar weggehaald moest worden.
2.7.
Het argument van [gedaagde B.V.] dat de daadwerkelijke koof in de keuken verwijderd moest worden en hierover onduidelijkheid bestaat, gaat door de inhoud van dezelfde mail niet op. [gedaagde B.V.] zegt namelijk: ‘
De blauw omlijnde koof is van beton, deze kan om die reden niet worden weggehaald. De inmeter beschrijft ook richting Ikea dat er hierdoor een lagere kast moet komen, vooraf was er daarom al geen sprake van dat deze koof weg zou gaan.’ Dit wordt bevestigd door de bouwtekening van de nieuwe keuken waar de koelkast door het behoud van de koof lager is ingetekend dan de kast direct ernaast. Als er dus al onduidelijkheid bestaat over de vraag of het muurtje of de koof verwijderd moet worden, dan is dit alleen voor [gedaagde B.V.] onduidelijk, omdat zij hierover in haar e-mails en tijdens de zitting verschillend over verklaart. Voor de inmeter lijkt het duidelijk te zijn geweest wat werd bedoeld met het weghalen van het koofje: het weghalen van het muurtje.
2.8.
Door deze omstandigheden is het duidelijk dat met ‘koofje weghalen’ door partijen is bedoeld om de rood omlijnde muur te verwijderen. Partijen zijn het verwijderen van het muurtje dan ook overeengekomen.
Heeft [gedaagde B.V.] op tijd gewaarschuwd?
2.9.
De rechter begrijpt het verweer van [gedaagde B.V.] zo dat zij vindt dat het voor rekening van [eiser] moet blijven dat de keuken nu in afwijking van de tekening is geplaatst (artikel 7:760 lid 2 BW Pro). [gedaagde B.V.] kan namelijk niet de keuken volgens de tekening plaatsen, omdat zij geen constructiewerkzaamheden mag uitvoeren en het muurtje dus niet mag verwijderen. Hierdoor moet de keuken ongeveer 25 centimeter naar rechts worden geplaatst. [gedaagde B.V.] heeft op 4 maart 2025 gewaarschuwd dat het muurtje niet wordt weggehaald en de keuken anders moet worden geïnstalleerd. Volgens [gedaagde B.V.] kon de inmeter dit niet eerder weten. De verantwoordelijkheid om het muurtje te verwijderen rust op [eiser] als [gedaagde B.V.] op tijd over het muurtje heeft gewaarschuwd. [eiser] vindt dat de waarschuwing van [gedaagde B.V.] te laat was. Hij zegt dat de inmeter tijdens de inmeetafspraak al had moeten zien dat [gedaagde B.V.] het muurtje niet kon verwijderen en dat hij de dupe is van het feit dat de inmeter dit toen niet heeft gezien.
2.10.
De rechter kan nog niet vaststellen dat [gedaagde B.V.] op tijd heeft gewaarschuwd. De waarschuwingsplicht geldt volgens artikel 7:754 lid 1 BW Pro bij het aangaan en uitvoeren van de overeenkomst. Op [gedaagde B.V.] rust de verplichting om te waarschuwen dat zij het muurtje als installateur niet mag verwijderen op het moment dat zij wist dat het muurtje onderdeel was van een constructie en kabels en leidingen bevat of op het moment dat zij dit als installateur hoorde te weten. Door de waarschuwing kan [eiser] nog maatregelen nemen om zo veel mogelijk schade te voorkomen door bijvoorbeeld een aannemer in te schakelen om het muurtje alsnog te verwijderen of aanpassingen te maken in de opstelling van de keuken. Daarom is het van belang dat [gedaagde B.V.] [eiser] waarschuwt op het moment dat zij weet of hoort te weten dat zij het muurtje niet mag verwijderen. Dat [gedaagde B.V.] op 4 maart 2025 heeft gewaarschuwd, betekent dus niet direct dat [gedaagde B.V.] heeft voldaan aan haar plicht om op tijd te waarschuwen.
2.11.
De rechter geeft [gedaagde B.V.] opdracht om te bewijzen dat zij [eiser] op tijd heeft gewaarschuwd over het feit dat zij het muurtje niet mag verwijderen en de keuken hierdoor niet volgens de tekening kan worden geplaatst. De rechter kan namelijk niet vaststellen dat [gedaagde B.V.] pas op 4 maart 2025 redelijkerwijs kon weten dat het een dragende muur betrof; er elektrakabels en waterleidingen door het muurtje lopen en [gedaagde B.V.] hierdoor het muurtje niet mag verwijderen. [gedaagde B.V.] draagt de stelplicht en de bewijslast van het feit dat zij op tijd heeft gewaarschuwd (artikel 150 Rv Pro). Als komt vast te staan dat [gedaagde B.V.] op tijd heeft gewaarschuwd dat zij de muur niet mag verwijderen en dat dit aanpassingen in de te plaatsen keuken tot gevolg zou hebben, dan is zij geen schadevergoeding verschuldigd voor het verwijderen van de muur en het plaatsen van de keuken in overeenstemming met de tekening. Als dit niet komt vast te staan, dan kan [gedaagde B.V.] zich niet succesvol beroepen op artikel 7:760 lid 2 BW Pro en moet worden beoordeeld of [eiser] recht heeft op vervangende schadevergoeding.
Conclusie: bewijsopdracht
2.12.
[gedaagde B.V.] heeft de bewijslast van haar stelling dat zij redelijkerwijs niet eerder kon weten dat het muurtje onderdeel is van een dragende constructie en kabels en leidingen bevat en hierdoor niet door haar verwijderd mag worden en dat [gedaagde B.V.] [eiser] dus op tijd en volledig heeft gewaarschuwd. [gedaagde B.V.] krijgt daarom een bewijsopdracht.
2.13.
Direct nadat [gedaagde B.V.] bewijs van haar stelling heeft geleverd, mag [eiser] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De rechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is.
2.14.
De rechter houdt iedere beslissing verder aan.

3.De beslissing

De regelrechter:
3.1.
draagt [gedaagde B.V.] op om te bewijzen dat zij redelijkerwijs pas op 4 maart 2025 kon weten dat zij het muurtje niet mag verwijderen, de keuken hierdoor niet volgens de tekening kan plaatsen en [eiser] hierover op tijd heeft gewaarschuwd;
schriftelijk bewijs
3.2.
bepaalt dat als [gedaagde B.V.] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor
donderdag 23 april 2026in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.3.
bepaalt dat als [gedaagde B.V.] getuigen willen laten horen, zij uiterlijk een dag voor
donderdag 23 april 2026het aantal en de personalia van de getuigen moeten opgeven en de verhinderdata van de getuigen en
beidepartijen voor de maanden mei, juni en juli 2026;
3.4.
wijst erop dat [gedaagde B.V.] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.5.
bepaalt dat als [gedaagde B.V.] op een andere manier bewijs wil leveren, zij dit uiterlijk een dag voor
donderdag 23 april 2026aan de rechter moet laten weten hoe;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363