Op 13 januari 2026 sprak de rechtbank Rotterdam een vonnis uit in een strafzaak tegen verdachte, waarbij na de uitspraak twee onmiddellijke kenbare misslagen werden geconstateerd. Deze betroffen het niet opnemen van de vrijspraak van verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde feit en het niet verklaren van de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het deel van haar vordering dat het bedrag van € 5.000,- overschrijdt.
De rechtbank heeft deze misslagen hersteld in een herstelvonnis van 14 januari 2026. In dit herstelvonnis is expliciet toegevoegd dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in het resterende deel van haar vordering boven € 5.000,-. Tevens is bepaald dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Het herstelvonnis is gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam, onder voorzitterschap van G.C. Bos en met de rechters C.G. van de Grampel en N.R. Rietveld. De griffier was H.P. Eekhout. Dit vonnis corrigeert de eerdere fouten en bevestigt de vrijspraak en de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het overschrijdende deel van de vordering.