ECLI:NL:RBROT:2026:4012
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep werkgever tegen hoogte WW-uitkering ex-werknemer met arbeidsvoorwaardenbedrag
De gemeente Rotterdam, als werkgever en eigenrisicodrager, stelde beroep in tegen het besluit van het UWV over de hoogte van de WW-uitkering van een ex-werknemer. Het geschil betrof de wijze waarop het arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) werd meegenomen bij de berekening van het dagloon en het inkomen tijdens de WW-uitkering.
Het UWV had bij de vaststelling van het dagloon de opgebouwde AVWB meegenomen, maar bij de verrekening van het inkomen tijdens de WW-uitkering alleen de uitbetaalde componenten. De werkgever betoogde dat deze werkwijze leidde tot een kennelijk onredelijk resultaat, omdat de werknemer inclusief WW-uitkering meer zou verdienen dan bij de oude werkgever.
De rechtbank oordeelde dat de regelgeving en de toelichting daarop een praktische reden geven voor deze werkwijze, namelijk de uitvoerbaarheid en betrouwbaarheid van de inkomstenopgave. De rechtbank vond het invoelbaar dat de werkgever dit als onredelijk ervaart, maar dit leidt niet tot een kennelijk onredelijk resultaat in de zin van de wet. Ook het betoog over de uren als zelfstandige werd verworpen wegens gebrek aan aanwijzingen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de werkgever het griffierecht niet terugkrijgt. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 25 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de hoogte van de WW-uitkering is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een kennelijk onredelijk resultaat.