ECLI:NL:RBROT:2026:4012
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep werkgever tegen hoogte WW-uitkering ex-werknemer met arbeidsvoorwaardenbedrag
De gemeente Rotterdam, als werkgever en eigenrisicodrager, stelde beroep in tegen het besluit van het UWV over de hoogte van de WW-uitkering van een ex-werknemer. Het geschil betrof de wijze waarop het arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) werd meegenomen bij de berekening van het dagloon en het inkomen tijdens de WW-uitkering.
Het UWV had het AVWB bij de dagloonberekening meegenomen op basis van opbouw, maar bij de verrekening van het inkomen tijdens de WW-uitkering alleen de uitbetaalde bedragen in aanmerking genomen. De werkgever betoogde dat deze werkwijze leidde tot een kennelijk onredelijk resultaat, omdat de werknemer inclusief WW-uitkering meer zou verdienen dan bij de oude werkgever.
De rechtbank oordeelde dat de regelgeving en de toelichting daarop een praktische reden geven voor deze werkwijze, namelijk de uitvoerbaarheid en betrouwbaarheid van de inkomstenopgave. De rechtbank vond het invoelbaar dat de werkgever dit als onredelijk ervaart, maar dit leidt niet tot een kennelijk onredelijk resultaat in de zin van de wet. Ook het betoog over de uren als zelfstandige werd verworpen wegens gebrek aan aanwijzingen voor onjuistheid.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de werkgever kreeg het griffierecht niet terug. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie die stelt dat een voordeliger benadering voor de eigenrisicodrager niet automatisch een kennelijk onredelijk resultaat oplevert.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de hoogte van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een kennelijk onredelijk resultaat.