Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor de functie van taxichauffeur, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op diverse justitiële gegevens, waaronder een onherroepelijke veroordeling voor een overtreding van de Opiumwet en andere strafbare feiten binnen de terugkijktermijn. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van het objectieve en subjectieve criterium zoals neergelegd in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Het objectieve criterium richt zich op het risico voor de samenleving indien de strafbare feiten worden herhaald, terwijl het subjectieve criterium een belangenafweging maakt tussen het belang van de aanvrager en dat van de samenleving.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat de strafbare feiten, waaronder de overtreding van de Opiumwet en onverzekerd rijden, een risico vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Het feit dat eiser tijdens zijn detentie goed gedrag heeft vertoond en een positief reclasseringsverslag heeft, weegt niet zwaarder dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen risico's. De afwijzing van de VOG is daarom gerechtvaardigd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen VOG ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald. Tevens worden geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter J.J.R. Lautenbach op 20 januari 2026.