ECLI:NL:RVS:2019:4395
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor chauffeurskaart wegens verkeersdelicten
Appellant verzocht op 6 oktober 2017 om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart. De minister wees de aanvraag af op grond van artikel 35 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, vanwege meerdere verkeersdelicten binnen de terugkijktermijn van vijf jaar, waaronder rijden zonder geldig rijbewijs en een ernstige snelheidsovertreding.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat zowel het objectieve als het subjectieve criterium voor weigering van de VOG waren vervuld. Appellant stelde in hoger beroep dat de feiten onvoldoende relevant waren en dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de feiten relevant waren en dat het objectieve criterium was vervuld. Ook het subjectieve criterium werd terecht negatief beoordeeld, mede vanwege de ernst van de overtredingen en het korte tijdsverloop tussen de feiten en de aanvraag.
De Afdeling verwierp het betoog dat minderjarigheid bij een van de feiten relevant was voor het objectieve criterium en vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij anders behandeld had moeten worden dan chauffeurs met andere antecedenten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag van appellant wegens relevante verkeersdelicten binnen de terugkijktermijn.