Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3829

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/1590
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 4.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar overnemen private schulden afgewezen

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht de minister van Financiën om private schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees dit verzoek deels af met een besluit van 22 oktober 2024. Eiseres diende vervolgens een bezwaar in, dat de minister op 4 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaarde wegens te late indiening.

Eiseres stelde dat zij niet juridisch geschoold was en het belang van de bezwaartermijn niet goed kon inschatten, en verwees naar een soepeler beleid van de Dienst Toeslagen. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar niet tijdig was ontvangen, de wettelijke termijn was verstreken, en dat er geen reden was om het verzuim te verontschuldigen. De minister had terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast overwoog de rechtbank dat de betreffende schulden niet voldeden aan de voorwaarden voor overname onder de Wht, omdat zij na 1 juni 2021 waren ontstaan. De minister kan wel beoordelen of eerdere schulden in aanmerking komen. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.

De uitspraak werd gedaan door rechter S. Veling op 7 april 2026. Eiseres kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek van eiseres om private schulden over te nemen, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat dit bezwaar te laat is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister terecht tot deze beslissing gekomen.

Procesverloop

2.
2.1.
Met een besluit van 22 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de minister het verzoek van eiseres om private schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), deels afgewezen.
2.2.
Met een besluit van 4 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister, vergezeld door [persoon A] .

Beoordeling door de rechtbank

3.
3.1.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister verzocht private schulden over te nemen.
3.2.
Voor zover nog van belang, heeft de minister dit verzoek ten aanzien van de volgende schulden afgewezen:
-een schuld aan Budgetenergie (met referentie [referentienummer 1] ) van € 971,30;
-een schuld aan Eneco (met referentie [referentienummer 2] ) van € 1.755,27;
-een schuld aan Menzis (met referentie [referentienummer 3] ) van € 1.036,17.
3.3.
De minister heeft het bezwaar van eiseres met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. In hetzelfde geschrift heeft de minister een “ambtshalve beoordeling” opgenomen, waarin hij inhoudelijk is ingegaan op de bezwaargronden en heeft geconcludeerd dat de schulden niet voor overname in aanmerking komen.
4. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Eiseres is niet juridisch geschoold. Ook had zij geen overzicht en werd het haar allemaal te veel. Het kan haar daarom niet verweten worden dat zij het belang van de bezwaartermijn niet op waarde kon schatten. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat “vanuit de Belastingdienst thans wordt gedoeld op volledige vergoeding van alle door burgers geleden schade”. Subsidiair heeft eiseres betoogd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [1] Eiseres heeft ook gewezen op het feit dat dat de Dienst Toeslagen een soepeler beleid hanteert.
5.1.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5.2.
Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb, geldt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. De minister heeft het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit van 22 oktober 2024 pas op 19 december 2024 ontvangen. De laatste dag voor het indienen van een bezwaarschrift was 3 december 2024. Nu het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn is ontvangen, is het in beginsel niet-ontvankelijk.
5.3.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Wat eiseres in dit verband heeft aangevoerd, is niet voldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat zij niet in staat was om het bezwaarschrift tijdig in te dienen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister aansluiting had moeten zoeken bij het soepeler beleid dat de Dienst Toeslagen hanteert.
5.4.
Gelet op het voorgaande heeft de minister het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de onder 3.2 genoemde schulden, afgaande op de overgelegde stukken, niet voldoen aan de voorwaarden voor overname in de Wht. [2] Ten aanzien van de schuld aan Budgetenergie is van belang dat uit de door eiseres overgelegde stukken niet blijkt dat er op 1 juni 2021 sprake was van een achterstand in betalingen. De termijnbedragen waaruit de ingediende schuld is samengesteld, zijn van na die datum. Afgaande op de overgelegde stukken is de ingediende schuld aan Eneco ontstaan na 1 juni 2021. De ingediende schuld aan Menzis is kennelijk eveneens na 1 juni 2021 ontstaan. De nadere stukken die eiseres over schulden aan Menzis heeft ingediend, zien op eerdere schulden. De minister heeft ter zitting verklaard dat deze schulden alsnog kunnen worden aangemeld. De minister zal dan beoordelen of deze schulden in aanmerking komen voor overname dan wel voor deze schulden compensatie kan worden verstrekt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zij heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
2.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.