ECLI:NL:RBROT:2026:367

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/675267 / FA RK 24-1877
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel gezag en contactregeling in een familiezaken met minderjarigen

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 8 januari 2026, wordt een uitspraak gedaan over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling van twee minderjarigen, geboren in 2016 en 2017. De vrouw, die het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft, verzoekt om gezamenlijk gezag met de man, die in Suriname woont. De rechtbank oordeelt dat het niet in het belang van de minderjarigen is om gezamenlijk gezag te hebben, gezien de gebrekkige communicatie tussen de ouders en de afstand die de man heeft genomen. De rechtbank wijst het verzoek van de man om gezamenlijk gezag af, omdat er geen basis is voor een goede samenwerking tussen de ouders.

Daarnaast wordt er een omgangsregeling vastgesteld. De man verzoekt om fysieke omgang met de kinderen in Suriname, maar de rechtbank wijst dit verzoek af vanwege de hoge kosten van vliegtickets en de huidige situatie waarin de man de kinderen al vier jaar niet heeft gezien. In plaats daarvan wordt een omgangsregeling via videobellen vastgesteld, waarbij de man dagelijks contact heeft met de kinderen, met de beperking dat hij niet na 19:30 uur (Nederlandse tijd) mag bellen. De rechtbank benadrukt het belang van deze regeling voor de minderjarigen en stelt ook een informatieregeling vast, waarbij de vrouw de man op de hoogte houdt van belangrijke zaken omtrent de kinderen.

De rechtbank concludeert dat de huidige omstandigheden geen fysieke omgang mogelijk maken en dat het in het belang van de minderjarigen is om de videobelmomenten voort te zetten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/675267 / FA RK 24-1877
Beschikking van 8 januari 2026 over het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en de informatieregeling
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een geheim adres,
advocaat mr. G.P. Dayala te Amsterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Odink te Den Haag,
ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , [geboorteland] .

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 24 oktober 2024;
  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 22 april 2025;
  • het bericht van de vrouw van 7 mei 2025;
  • het bericht van de man van 8 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 15 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man via beeld- en geluidverbinding, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad, in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In de beschikking van 24 oktober 2024 is voor recht verklaard dat de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen.
Verder zijn in deze beschikking de voorlopige afspraken over een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) opgenomen, inhoudende:
- de huidige videobelmomenten tussen de man en de minderjarigen worden voortgezet, waarbij de man heeft toegezegd dat hij de minderjarigen niet meer zal bellen ná 19:30 uur (Nederlandse tijd).
Ook is in deze beschikking de onderlinge regeling opgenomen die partijen over de voorlopige informatieregeling hebben getroffen, te weten dat de vrouw de man eens per maand telefonisch of schriftelijk zal informeren over gewichtige aangelegenheden van de minderjarigen. Tenslotte is de raad verzocht om onderzoek naar het ouderlijk gezag over de minderjarigen, de omgangsregeling dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de informatieregeling en is de behandeling van de zaak op die punten aangehouden. De raad heeft dit onderzoek uitgevoerd en een advies uitgebracht. De rechtbank zal de verzoeken van partijen bespreken en beoordelen.
2.2.
Gezag
2.2.1.
De man verzoekt te bepalen dat de beschikking van 6 juli 2021 van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo ten aanzien van het gezag (de voogdij) wordt gewijzigd, inhoudende dat de ouders worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij voert – kort gezegd – aan dat zij in geval van gezamenlijk gezag door het gedrag van de man op problemen zal stuiten.
2.2.3.
Op grond van artikel 1:277 lid 1 BW kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is en de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen.
Lid 2 van artikel 1: 277 BW bepaalt dat, indien ter gelegenheid van de beëindiging van het gezag het gezag aan de andere ouder is opgedragen, de rechtbank de ouder wiens gezag was beëindigd en deze alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag belast, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
2.2.4.
Artikel 1:277 lid 2 BW verklaart artikel 1:253e BW van overeenkomstige toepassing, op basis waarvan toewijzing van het verzoek van de man zou meebrengen dat hij met het eenhoofdig gezag wordt belast. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het doel van zijn verzoek niet is om het eenhoofdig gezag te krijgen, maar dat partijen gezamenlijk het gezag gaan uitoefen. De rechtbank zal het verzoek dan ook zo opvatten.
2.2.5.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden zodat de man in zoverre ontvankelijk is in zijn verzoek. Op het moment dat de vrouw het eenhoofdig gezag verkreeg, woonden partijen in Suriname. De vrouw is nadien met de minderjarigen naar Nederland gegaan. Hoewel de achtergrond van dit vertrek naar Nederland partijen verdeeld houdt, is in ieder geval duidelijk dat de man nu meer op afstand staat. In zoverre is dus een andere gezagssituatie ontstaan.
2.2.6.
De vraag die vervolgens moet worden beoordeeld is of het in het belang van de minderjarigen is als partijen gezamenlijk het gezag gaan uitoefenen. De rechtbank is van oordeel dat dat niet zo is. Er is op dit moment geen enkele communicatie tussen partijen. De raad heeft geadviseerd het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toe te wijzen, omdat er nog mogelijkheden zijn om de onderlinge verstandhouding tussen ouders te verbeteren. Daartoe heeft de raad partijen aangemeld bij het wijkteam om via die weg hulpverlening in gang te zetten. Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat partijen wel gesproken hebben met het wijkteam, maar dat dit niet heeft geleid tot inzet van hulpverlening en het wijkteam inmiddels niet meer is betrokken. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangegeven geen behoefte te hebben aan professionele begeleiding, terwijl het de rechtbank en de raad duidelijk is dat er veel zorgen zijn over de onderlinge communicatie. Dit blijkt ook wel uit de verwijten die tijdens de mondelinge behandeling over en weer zijn gemaakt. Gezamenlijk gezag is in die omstandigheid een sta-in-de-weg tussen partijen en dat is niet in het belang van de minderjarigen. Bij haar oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw zich de afgelopen jaren heeft ingezet om het contact tussen de man en de minderjarigen te herstellen en te behouden. Het eenhoofdig gezag stond daaraan dus niet aan in de weg. De raad wijst op het risico dat bij eenhoofdig gezag de man nog meer op afstand komt van de minderjarigen. De rechtbank is echter van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat het gezamenlijk gezag niet nodig is om te waarborgen dat er contact is.
2.2.7.
Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.
2.3.
Omgangsregeling
2.3.1.
De man verzoekt te bepalen dat de beschikking van 6 juli 2021 van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo ten aanzien van de omgangsregeling wordt gewijzigd, inhoudende dat:
  • de man elke doordeweekse dag tussen 19.00 uur en 20.00 uur (Nederlandse tijd), alsook op zaterdag en zondag tussen 11.00 uur en 12.00 uur (Nederlandse tijd), via videobellen contact heeft met de minderjarigen;
  • de minderjarigen eens per jaar drie weken bij de man in Suriname verblijven, waarbij de vrouw voor reisbegeleiding en de kosten voor de tickets zorgt.
2.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.3.3.
De raad adviseert, naast een dagelijkse belregeling, te bepalen dat de minderjarigen in de zomervakantie drie weken naar hun vader in Suriname gaan, waarbij ouders in samenspraak met de hulpverlening hier vorm aan geven.
2.3.4.
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
2.3.5.
De rechter die een omgangsregeling vaststelt, is bevoegd om een regeling te treffen over geschilpunten met betrekking tot de uitvoering van de omgangsregeling, zoals geschilpunten over de daaraan verbonden reiskosten. De rechter kan bij het treffen van een regeling over de verdeling van de reiskosten in het kader van een omgangsregeling acht slaan op alle omstandigheden van het geval (zie HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:976).
2.3.6.
Niet in geschil is dat de omstandigheden door het vertrek van de vrouw met de minderjarigen naar Nederland zijn gewijzigd. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
2.3.7.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen allebei vinden dat er contact moet zijn tussen de man en de minderjarigen. Ook vinden partijen dat er fysiek contact moet zijn in de zomer. Over de uitvoering daarvan verschillen partijen echter van mening. De man wil dat de minderjarigen naar Suriname komen, dat het contact onbegeleid plaatsvindt en dat de vrouw de reiskosten betaalt. De vrouw wil naar Suriname reizen, maar wil de minderjarigen niet alleen bij de man laten. Ook heeft zij geen financiële ruimte om bij te dragen aan de tickets. Zij vindt het praktischer als de man naar Nederland komt. De man ziet daarvoor echter geen ruimte, ook als de vrouw zijn ticket zou betalen. Daarbij speelt voor de man mee dat de vrouw zonder toestemming met de minderjarigen naar Nederland is gegaan. Gelet daarop vindt hij het niet passend om zelf de minderjarigen in Nederland te bezoeken.
2.3.8.
De rechtbank ziet momenteel geen ruimte om een omgangsregeling in de zomer te bepalen. De man heeft de minderjarigen al vier jaar niet fysiek gezien. Zoals de raad ook in zijn rapport heeft geschreven, is het dan een te grote stap voor de minderjarigen om in die situatie drie weken volledig bij de man te verblijven. Vanwege de moeizame communicatie tussen partijen en de belaste voorgeschiedenis, is er ook professionele hulp nodig om partijen samen afspraken te laten maken over de zomervakantie. Zoals gezegd is die hulpverlening niet van de grond gekomen en gelet op de hiervoor genoemde uitlatingen van de man over de noodzaak hiervan heeft de rechtbank ook geen vertrouwen dat die hulpverlening binnenkort van de grond komt. Verder is van belang dat er een financiële drempel is om een fysieke omgangsregeling te bepalen. De minderjarigen zijn leerplichtig, zodat contacten enkel in de schoolvakanties kunnen plaatsvinden. Het is algemeen bekend dat vliegtickets op die momenten substantieel duurder zijn. Gebleken is dat zowel de man als de vrouw geen financiële ruimte hebben om een vliegticket te betalen. Dit is ook niet betwist over en weer.
2.3.9.
De rechtbank acht bij deze stand van zaken een fysieke omgangsregeling niet haalbaar. De rechtbank acht het niet in het belang van de minderjarigen om een omgangsregeling te bepalen die niet nagekomen gaat worden. Dat schept alleen niet haalbare verwachtingen en leidt tot teleurstellingen voor alle betrokkenen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
2.3.10.
De rechtbank merkt op dat tijdens de mondelinge behandeling met de vrouw is besproken om een spaarpot te maken voor de minderjarigen, zodat zij op een later moment naar Suriname kunnen gaan. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat de vrouw hiervoor gaat sparen.
2.3.11.
Tot slot acht de rechtbank het van belang dat de dagelijkse contacten via videobellen doorgaan. Partijen zijn het daar ook over eens dus de rechtbank zal de eerder opgenomen voorlopige regeling als definitieve regeling vaststellen. Daarbij wijst de rechtbank op het advies van de raad om de belcontacten ook onder professionele begeleiding eventueel aan te passen in een vorm die minder belastend is, maar dat is aan partijen.
2.4.
Informatieregeling
2.4.1.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de man eens per maand schriftelijk informeert over gewichtige aangelegenheden omtrent de persoon en het vermogen van de minderjarigen, zoals school (en toezending van de rapporten), sport, activiteiten, gezondheid en ontwikkeling.
2.4.2.
De raad adviseert een informatieregeling vast te stellen waarbij de man vier keer per jaar door de vrouw wordt geïnformeerd en zij twee keer per jaar een foto aan de man verstrekt.
2.4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen achter het voorstel van de raad staan. De man heeft aangegeven niet langer zijn verzoek te handhaven om maandelijks informatie te verkrijgen. De rechtbank acht de informatieregeling conform het advies van de raad ook in het belang van de minderjarigen en zal overeenkomstig beslissen.
2.5.
Minderjarigen
2.5.1.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn door de vrouw twee tekeningen overhandigd, die de minderjarigen hadden gemaakt voor de rechter. De rechtbank heeft de minderjarigen een briefje gestuurd om hen te bedanken voor die tekeningen.
2.6.
Proceskosten
2.6.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
stelt, onder wijziging van de beschikking van het Eerste Kanton te Paramaribo van 6 juli 2021, vast dat de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht als volgt zal zijn:
- de man heeft dagelijks contact met de minderjarigen via videobellen, waarbij de man niet zal bellen ná 19:30 uur (Nederlandse tijd);
3.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het eerste kwartaal van 2026, eenmaal per kwartaal (telkens de eerste van de maand, dus 1 januari (de eerste keer 1 februari 2026), 1 april, etc.), de man schriftelijk of telefonisch op de hoogte stelt over belangrijke ontwikkelingen van de minderjarigen en tweemaal per jaar een recente en goed gelijkende kleurenfoto van de minderjarigen toestuurt;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.L.Visser, griffier, op 8 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.