Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 juni 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de omgangsregeling met hun minderjarige kind, waarbij de vader een ruimere omgang wenst en tevens een bijdrage van de moeder in de reiskosten voor reizen naar de Verenigde Staten vordert.
De rechtbank en het hof hadden een omgangsregeling vastgesteld waarbij de minderjarige in bepaalde vakanties bij de vader verblijft in de Verenigde Staten, met een regeling dat de kosten van tickets en begeleiding bij de eerste reizen door beide ouders gelijkelijk worden gedragen.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechter die een omgangsregeling vaststelt op grond van art. 1:377a en 1:377e BW bevoegd is om ook geschilpunten over de uitvoering, zoals de verdeling van reiskosten, te regelen. Dit sluit aan bij de positieve verplichting uit art. 8 EVRM Pro om contact tussen kind en ouders te bevorderen.
Echter oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de reiskosten gelijkelijk verdeeld zouden worden, zonder rekening te houden met de draagkracht van de ouders. Omdat de moeder had aangevoerd dat haar inkomen onvoldoende is en de vader over voldoende middelen beschikt, had het hof deze omstandigheden moeten meewegen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofvonnis en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en een nieuwe beslissing met inachtneming van de draagkracht van partijen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beslissing waarbij de draagkracht van de ouders wordt meegewogen bij de verdeling van de reiskosten.