Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3608

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
12049155 VV EXPL 26-14
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629a lid 1 BWArt. 7:629 lid 3 onder d BWArt. 7:629 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering wegens onterechte opschorting tijdens arbeidsongeschiktheid

Eiseres is sinds september 2022 in dienst als Senior Quality Coördinator en is sinds januari 2025 arbeidsongeschikt. Gedaagde heeft per 31 december 2025 de loonbetaling opgeschort wegens vermeende weigering van eiseres om mee te werken aan re-integratie.

De kantonrechter oordeelt dat de opschorting onterecht is omdat de reden voor opschorting onvoldoende duidelijk is en eiseres niet weigert mee te werken aan haar re-integratieverplichtingen. Het persoonlijk contact dat gedaagde eist is niet redelijk en het arbeidsconflict maakt direct contact medisch onwenselijk.

De loonbetaling vanaf 1 december 2025 en de dertiende maand worden toegewezen, met een gematigde wettelijke verhoging tot nihil. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon en dertiende maand vanaf 1 december 2025 wegens onterechte loonopschorting.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12049155 VV EXPL 26-14
datum uitspraak: 25 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. C.P. Zwaanswijk en mr. J. Peters,
tegen
[gedaagde] B.V.,
(statutaire) vestigingsplaats: Oostvoorne,
gedaagde,
gemachtigde: R.J. Michielsen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 januari 2026, met bijlagen;
  • de aanvullende bijlagen 16 tot en met 18 van [eiseres] ;
  • de bijlagen 1 tot en met 24 van [gedaagde] ;
  • het antwoord, met aanvullende bijlagen 25 en 26;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden van [eiseres] .
1.2.
Op 4 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. [eiseres] was aanwezig met haar gemachtigden. Namens [gedaagde] waren aanwezig de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] bijgestaan door de gemachtigde.

2.De eis

2.1.
[eiseres] eist samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen 70% van het loon van € 3.300,- bruto per maand vanaf 1 december 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, met de wettelijke verhoging;
  • [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te betalen de dertiende maand van € 3.300,- bruto, met de wettelijke verhoging;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en vindt dat die moet worden afgewezen.

3.De zaak in het kort

3.1.
[eiseres] is sinds 1 september 2022 in dienst bij [gedaagde] in de functie van Senior Quality Coördinator. Het loon bedraagt € 3.300,- bruto per maand. [eiseres] krijgt ook een dertiende maand in december. Sinds 30 januari 2025 is zij arbeidsongeschikt.
3.2.
Op 31 december 2025 heeft [gedaagde] schriftelijk aan [eiseres] laten weten dat zij de betaling van het loon opschort omdat [eiseres] volgens [gedaagde] niet meewerkt aan de noodzakelijke en verplichte re-integratieafstemming, waaronder de evaluatie van het arbeidsdeskundig rapport en de actualisatie van het Plan van Aanpak.
3.3.
[eiseres] heeft sinds 1 december 2025 geen loon ontvangen. Evenmin is de dertiende maand betaald. Zij is van mening dat er geen grond is voor de opschorting van het loon. Zij wil dat het loon wordt doorbetaald.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het loon van [eiseres] moet doorbetalen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil. Hierna wordt dit toegelicht.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van de eis. [eiseres] ontvangt geen loon terwijl zij het loon nodig heeft om te kunnen voorzien in de kosten van levensonderhoud.
Deskundigenverklaring
4.3.
Op grond van artikel 7:629a lid 1 BW moet een werknemer die betaling van het loon eist over een periode van arbeidsongeschiktheid een deskundigenverklaring van het UWV overleggen. Deze verplichting geldt in principe niet in kort geding (Hoge Raad 14 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1673). Het is aan de kort geding rechter overgelaten te oordelen of een verklaring toch wenselijk is. Hoewel een deskundigenoordeel in deze zaak mogelijk duidelijkheid kan geven over de vraag of [eiseres] in staat is rechtstreeks contact te onderhouden met [gedaagde] , heeft [eiseres] zoveel spoed bij haar eis dat de uitkomst van een deskundigenoordeel niet kan worden afgewacht.
Opschorting loon
4.4.
[gedaagde] heeft [eiseres] in een e-mail van 31 december 2025 laten weten dat de betaling van het loon wordt opgeschort. Zij heeft geschreven:
“In het kader van jouw ziekteverzuim en re-integratie ben je verplicht mee te werken aan de controlevoorschriften van de arbodienst/bedrijfsarts en de noodzakelijke afstemming en informatieverstrekking voor de uitvoering en actualisatie van het Plan van Aanpak.
Wij hebben jou herhaaldelijk verzocht om mee te werken aan de noodzakelijke en verplichte re-integratieafstemming, waaronder de evaluatie van het arbeidsdeskundig rapport en de actualisatie van het Plan van Aanpak (Spoor 1 en Spoor 2).
Op maandag 29 december 2025 heb ik je per e-mail uitgenodigd voor vandaag (woensdag 31 december 2025) om 11:00 uur. Na jouw weigering heb ik je op dinsdag 30 december 2025 opnieuw uitgenodigd voor vrijdag 2 januari 2026 om 11:00 uur. Ook deze uitnodiging heb je geweigerd.
Je kunt deze afstemming ook schriftelijk aanleveren per e-mail, zodat het Plan van Aanpak kan worden geactualiseerd.
Ongeacht lopende juridische procedures blijven wij gehouden het re-integratietraject conform wet- en regelgeving voort te zetten.
Omdat deze noodzakelijke medewerking en informatieverstrekking tot op heden onvoldoende wordt verleend en wij hierdoor het recht op loon niet (langer) kunnen vaststellen, deel ik je mee dat wij de loonbetaling per direct opschorten.
De loonopschorting eindigt zodra jij alsnog volledig meewerkt aan:
1. de controlevoorschriften en contactmomenten die de arbodienst/bedrijfsarts noodzakelijk acht; en
2. de noodzakelijke afstemming en informatie voor het Plan van Aanpak, waaronder schriftelijk:
- welke concrete belemmerende factoren Spoor 1 volgens jou verhinderen;
- welke randvoorwaarden nodig zijn voor hervatting binnen Spoor 1;
- jouw bereikbaarheid en beschikbaarheid voor afstemming met casemanager/arbodienst.
Zodra volledige medewerking is verleend, wordt de loonbetaling hervat conform wet- en regelgeving.”
4.5.
Wat betreft het loon van december 2025 en de dertiende maand, die in december wordt betaald, geldt dat deze al betaald hadden moeten zijn op het moment dat de opschorting van het loon werd aangekondigd. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij het loon altijd op de 22e of 23e van de maand betaald krijgt. De opschorting van het loon werd aangekondigd op 31 december 2025 en ging op die datum in, zo volgt uit de hiervoor geciteerde e-mail. De opschorting kan dus niet zien op de betaling van het loon van december 2025 en de dertiende maand. Dit deel van de eis is daarom al toewijsbaar. De beoordeling hierna ziet op de opschorting van het loon vanaf 31 december 2025.
4.6.
De reden voor opschorting volgt onvoldoende uit de e-mail van 31 december 2025. Uit de correspondentie die vooraf is gegaan aan de opschorting, waarover hierna meer, kan worden opgemaakt dat [gedaagde] de voortgang van de re-integratie per se in een persoonlijk gesprek met [eiseres] wilde bespreken. Dit wordt in de opschortingsmail niet expliciet herhaald. Opeens mag de gevraagde informatie ook schriftelijk worden aangeleverd. [gedaagde] heeft [eiseres] die mogelijkheid eerder niet geboden. Waarom er dan toch aanleiding was voor een opschorting is in dat licht bezien onduidelijk.
4.7.
Verder benoemt [gedaagde] dat het geven van inlichtingen nodig is om het recht op loon te kunnen vaststellen. [gedaagde] beroept zich blijkbaar op het bepaalde in artikel 7:629 lid 6 BW Pro. In dat artikel gaat het om het niet nakomen van controlevoorschriften die de werkgever in staat stellen te controleren of de werknemer daadwerkelijk ziek is (bijvoorbeeld het niet komen opdagen op een afspraak bij de bedrijfsarts). De arbeidsongeschiktheid als zodanig staat tussen partijen echter niet ter discussie. Het lijkt hier eerder te gaan om een opschorting op basis van artikel 7:629 lid 3 onder Pro d BW: het niet willen meewerken aan redelijke voorschriften om een werknemer in staat te stellen te re-integreren, in welk geval het loon kan worden stopgezet. Het is echter aan de werkgever, in dit geval [gedaagde] , om duidelijk te maken waar zij zich op beroept.
4.8.
De inhoud van de opschortingsmail van 31 december 2025 is dus onvoldoende duidelijk, te meer omdat de aanleiding voor de opschorting vooral lijkt te zijn geweest dat [eiseres] geen persoonlijk contact wil met [gedaagde] . Dat volgt uit de correspondentie voorafgaande aan de opschortingsmail waarin door [gedaagde] stevig wordt aangedrongen op persoonlijk contact met [eiseres] . Op 29 december 2025 nodigt [gedaagde] [eiseres] uit om op kantoor het arbeidsdeskundige rapport en de vervolgstappen binnen spoor 1 en 2 te bespreken. Via haar advocaat laat [eiseres] weten dat volgens het rapport re-integratie in spoor 1 op dit moment niet mogelijk is en spoor 2 gevolgd moet worden. [gedaagde] richt zich daarop (opnieuw) rechtstreeks tot [eiseres] waarbij haar te kennen wordt gegeven dat een antwoord verwacht wordt van háár en niet van haar advocaat. Gedreigd wordt daarbij met het opleggen van een loonsanctie. Opnieuw krijgt [gedaagde] een reactie van de advocaat. Zij schrijft:
“Het arbeidsdeskundig onderzoek is helder. De arbeidsdeskundige meent evenals de bedrijfsarts dat zowel de bedongen arbeid als passende arbeid in spoor 1 niet
mogelijk is. Reden waarom de arbeidsdeskundige heeft geadviseerd tot het inzetten van een externe inzetbaarheidscoach. Uiteraard conformeert mevrouw [eiseres] zich aan het rapport van de arbeidsdeskundige. Mevrouw [eiseres] wacht daarom een oproeping voor het maken van een externe inzetbaarheidscoach af. Tijdens die nog in te plannen afspraak zal mevrouw [eiseres] tuurlijk ook een gewijzigd plan van aanpak c.q. tussentijdse evaluatie opstellen samen met de externe inzetbaarheidscoach.
Redenen waarom mevrouw [eiseres] daarom morgen niet met u in gesprek zal gaan.”
4.9.
[gedaagde] is ook in haar stukken uitgebreid ingegaan op het weigeren van persoonlijk contact door [eiseres] en tijdens de zitting is dit besproken. Volgens [gedaagde] blokkeert [eiseres] stelselmatig ieder contact. Het is duidelijk geworden dat dit voor [gedaagde] de kern van het probleem is, hoewel dat niet direct uit de opschortingsmail volgt. Zij wil graag een laagdrempelig open gesprek met [eiseres] . [eiseres] denkt daar anders over. Zij ervaart een arbeidsconflict dat nog steeds niet is opgelost. Een face to face gesprek kan zij medisch gezien (nog) niet aan.
4.10.
Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft dat de opschorting van het loon ziet op het niet willen aangaan van een persoonlijk gesprek over de re-integratie, geldt het volgende. De bedrijfsarts heeft in de adviezen van 6 mei 2025 en 3 september 2025 (bijlage 5 en 6 bij de dagvaarding) erop gewezen dat werkgever en werknemer regelmatig met elkaar contact moeten blijven houden. Dat contact was eind december 2025 tussen partijen nog steeds niet tot stand gekomen. Het is begrijpelijk dat [gedaagde] na al die tijd met [eiseres] in gesprek wilde gaan. Zij heeft echter een één-op-één gesprek willen afdwingen wat voor het bespreken van het arbeidsdeskundig rapport en een Plan van Aanpak strikt genomen niet noodzakelijk is. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om een eventueel gesprek over de re-integratie in het eerste spoor in te plannen in aanwezigheid van een onafhankelijke derde. Te denken valt aan een professionele re-integratiecoach zoals in het rapport van de arbeidsdeskundige wordt aanbevolen. Op 27 oktober 2025 schreef [gedaagde] overigens al aan [eiseres] (bijlage 15 aan de kant van [gedaagde] ) dat zij het, conform het advies van de bedrijfsarts, wenselijk vond om de gesprekken met [eiseres] te laten begeleiden door een deskundige. Waarom zij daaraan geen gevolg heeft gegeven is niet duidelijk.
4.11.
De eis van een persoonlijk gesprek over de re-integratie met [eiseres] is onder deze omstandigheden niet redelijk. Verder verdient opmerking dat niet gebleken is dat [eiseres] niet meewerkt aan de verplichtingen van een arbeidsongeschikte werknemer. Zij verschijnt op gesprekken bij de bedrijfsarts en heeft meegewerkt aan de mediation en het arbeidsdeskundig onderzoek in december 2025. De advocaat van [eiseres] wijst hier ook op in zijn e-mail aan [gedaagde] op 5 januari 2026 waarbij hij herhaalt dat re-integratie in spoor 1 volgens de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige op dit moment niet mogelijk is vanwege de ‘actuele werk gerelateerde omstandigheden’.
4.12.
Gelet op het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende grond voor opschorting van het loon van [eiseres] . Ook de geëiste betaling van het loon vanaf 31 december 2025 wordt toegewezen.
Wettelijke verhoging
4.13.
De kantonrechter vindt het billijk de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. [gedaagde] heeft een en ander niet goed aangepakt maar op zichzelf genomen moest wel de voortgang van de re-integratie besproken worden. [gedaagde] heeft zich immers ook te houden aan re-integratieverplichtingen, zoals zij tijdens de zitting heeft aangevoerd. Aangezien de bedrijfsarts, in het belang van de re-integratie, adviseert regelmatig contact met [eiseres] te houden en ook de arbeidsdeskundige overweegt dat terugkeer in de eigen functie altijd voorop blijft staan, moet het voor [gedaagde] moeilijk zijn om te accepteren dat het arbeidsconflict dat [eiseres] ervaart ieder rechtstreeks contact met haar werkgever onmogelijk maakt. Dat [gedaagde] in een poging de impasse te doorbreken gegrepen heeft naar het - verkeerde - middel van loonopschorting, is in dit licht wel te begrijpen.
Proceskosten
4.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 155,67 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, € 865.- aan loon voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.257,67. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het loon, gelijk aan het netto-equivalent van 70% van € 3.300,- bruto per maand, vanaf 1 december 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de dertiende maand te betalen, zijnde het netto-equivalent van een bedrag van € 3.300,- bruto;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.257,67, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
540