Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3550

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2161
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.Y. Hu
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 296 FaillissementswetArt. 310 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum vastgesteld

Mevrouw verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) met een verzoek om een eerdere ingangsdatum dan de datum van het vonnis.

De rechtbank heeft op 26 februari 2026 het verzoek behandeld en geoordeeld dat verzoekster voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp, waaronder het te goeder trouw zijn bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden en de verwachting dat zij aan de verplichtingen zal voldoen. De rechtbank is bevoegd de insolventieprocedure te openen omdat het centrum van haar voornaamste belangen in Nederland ligt.

De rechtbank heeft de looptijd van de Wsnp vastgesteld op 18 maanden en de ingangsdatum op 1 mei 2025, in plaats van de door verzoekster gevraagde 24 maart 2025. Dit omdat verzoekster tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet volledig aan alle afdrachtverplichtingen kon voldoen, maar wel aan haar inspanningsverplichting gezien haar beperkte belastbaarheid.

De bewindvoerder is benoemd om toezicht te houden op de naleving van de verplichtingen en het beheer van de boedel. De rechtbank heeft tevens een rechter-commissaris benoemd. De regeling eindigt met een schone lei indien verzoekster zich aan alle verplichtingen houdt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt toegewezen met ingangsdatum 1 mei 2025 en een looptijd van 18 maanden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
26 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoekster],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op
24 maart 2025. Het verzoek om een eerdere ingangsdatum vast te stellen wordt gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op 1 mei 2025 in plaats van op
24 maart 2025.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [verzoekster] ,
- de heer [persoon A] , partner van verzoekster,
- mevrouw [persoon B] , schuldhulpverlener van de gemeente Goeree-Overflakkee,
- mevrouw S. Raveendran, bewindvoerder van Zekere Zaak.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
Mevrouw [verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.3.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
2.4.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.5.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.6.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.7.
De rechtbank kan de vraag of mevrouw [verzoekster] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan alle verplichtingen heeft voldaan nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. Ter zitting heeft mevrouw [verzoekster] verklaard dat zij gemiddeld 10 uur per week werkt en dat volgt ook uit de overgelegde salarisstroken vanaf 1 mei 2025. Volgens de overgelegde rapportage medisch belastbaarheidsonderzoek, van 3 april 2025, is mevrouw [verzoekster] niet verder belastbaar dan 5 tot 6 uur per week. Ingeschat wordt dat deze belastbaarheid voorlopig zo zal blijven. Gelet hierop heeft mevrouw [verzoekster] aan haar inspanningsverplichting voldaan. Wat betreft de afdrachtverplichting staat vast dat door mevrouw [verzoekster] tijdens het minnelijk traject niet is gespaard. Volgens de diverse overgelegde vtlb-berekeningen was er vanaf de datum waarop de schuldhulpverleningsovereenkomst is getekend (24 maart 2025) ook geen afloscapaciteit. Deze berekeningen zijn op onderdelen niet compleet gedocumenteerd en in zoverre niet uitputtend te controleren. Gelet echter op de beschikbare informatie en de geringe hiaten daarin is het voor de rechtbank voldoende aannemelijk dat er geen sprake is geweest van afloscapaciteit.
2.8.
Omdat de rechtbank op voorhand niet onaannemelijk acht dat door mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om (i) bij dit vonnis een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.
2.9.
De bewindvoerder wordt opgedragen om in het verslag (artikel 318 Fw Pro) of in het eindverslag (artikel 352 Fw Pro) de rechter-commissaris dan wel de rechtbank te adviseren over de vraag of mevrouw [verzoekster] in het schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan de uit dat traject voortvloeiende verplichtingen.
2.10.
De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 1 mei 2025, zijnde de eerste dag van de maand waarvan kan worden vastgesteld dat mevrouw [verzoekster] naast de afdrachtverplichting ook aan de inspanningsverplichting heeft voldaan.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .
3.6.
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] -1990 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken
en tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 1 mei 2025 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 1 november 2026;
  • draagt de bewindvoerder op de post van mevrouw [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. W.Y. Hu, rechter, in samenwerking met
mr. S. Verberne-van Ree, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 februari 2026. [1]
De griffier is buiten staat dit
vonnis mede te ondertekenen.