Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV op zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De rechtbank stelt vast dat het UWV de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en dat na ingebrekestelling meer dan twee weken zijn verstreken zonder dat het UWV alsnog heeft beslist.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV een aangepaste beslistermijn is vastgesteld: binnen 30 weken na ontvangst van het beroep moet het UWV alsnog een besluit nemen. Eiser heeft regelmatig contact gezocht met het UWV, maar het besluit bleef uit, wat begrijpelijk onrechtvaardig aanvoelt.
De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van €100 per dag verbeurt bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €15.000. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.