ECLI:NL:RBROT:2026:3474

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/150
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2009 wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid

Eiser, vader van vier kinderen, heeft compensatie gevraagd op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor het toeslagjaar 2009. Hij stelde dat de Dienst Toeslagen vooringenomen had gehandeld door geen aanvullende gegevens op te vragen en dat hem geen persoonlijke betalingsregeling was toegekend voor de terugvordering.

De rechtbank oordeelt dat de gegevens uit het antwoordformulier overeenkwamen met de jaaropgaven van de kinderopvanginstellingen en de plaatsingsovereenkomst, waardoor de Dienst Toeslagen geen aanleiding had om aanvullende gegevens te vragen. Er is geen bewijs dat in de periode van 1 juli tot en met 15 november 2009 kinderopvang is afgenomen, noch dat er sprake was van institutionele vooringenomenheid.

Verder is vastgesteld dat op 4 december 2013 een persoonlijke betalingsregeling is toegekend voor de terugvordering over 2009 en 2012, ondanks dat deze later is komen te vervallen wegens betalingsachterstand. Hoewel de beschikking pas laat aan de rechtbank is overgelegd, acht de rechtbank dat eiser bekend was met de regeling en niet is benadeeld door het gebrek aan motivering.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen compensatie ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/150
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Hoesenie),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing, omdat de Dienst Toeslagen over toeslagjaar 2009 vooringenomen heeft gehandeld door geen aanvullende gegevens op te vragen naar aanleiding van het door eiser toegestuurde antwoordformulier. Ook is aan eiser geen persoonlijke betalingsregeling toegekend voor de terugvordering over toeslagjaar 2009.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen niet vooringenomen heeft gehandeld. Omdat de gegevens uit het antwoordformulier overeenkwamen met de gegevens uit de jaaropgaven van de kinderopvanginstellingen, hoefde de Dienst Toeslagen geen aanleiding te zien om aanvullende gegevens op te vragen. Ook is niet aannemelijk geworden dat aan eiser geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht. Met de besluiten van 14 november 2022 met kenmerken [kenmerk 1] en [kenmerk 2] heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 2 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 14 november 2022 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 23 januari 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is vader van vier kinderen en heeft voor de jaren 2006 tot en met 2012 kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen. Eiser heeft op 18 december 2020 een aanvraag gedaan om compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht.
4. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie of een tegemoetkoming heeft toegekend voor toeslagjaar 2009.
5. Eiser betoogt dat hij wel recht heeft op compensatie, omdat er bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2009 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft geen kinderopvangtoeslag toegekend voor de periode tussen 1 juli en 16 november 2009, terwijl eiser toen wel kinderopvang heeft afgenomen. De Dienst Toeslagen had navraag moeten doen nadat eiser op het antwoordformulier de periode had opgeschreven waarvoor hij kinderopvangtoeslag had ontvangen in plaats van de periode waarvoor hij daadwerkelijk kinderopvang had afgenomen. Ook komt de informatie uit de KOI-viewer niet overeen met de informatie uit de jaaropgaven van de kinderopvanginstellingen.
5.1.
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. [1]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat er voor de periode van 1 juli tot en met 15 november 2009 kinderopvang is afgenomen. Eiser heeft op 6 maart 2012 een ingevuld antwoordformulier en jaaropgaven van de kinderopvanginstellingen toegestuurd. Uit de jaaropgaven volgt dat er tot 1 juli 2009 dagopvang is afgenomen bij KindeRdam en dat er vanaf 16 november 2009 buitenschoolse opvang is afgenomen bij Urban Palace. De jaaropgave van KindeRdam komt overeen met de informatie uit de KOI-viewer. De plaatsingsovereenkomst van Urban Palace vermeldt 16 november 2009 als startdatum van de kinderopvang aldaar. Omdat de gegevens in het antwoordformulier van eiser overeenkwamen met de overgelegde jaaropgaven en de plaatsingsovereenkomst, heeft de Dienst Toeslagen geen aanleiding hoeven zien om aanvullende gegevens op te vragen. [2] Het voorgaande betekent dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat voor de periode van 1 juli tot en met 15 november 2009 geen kinderopvang is afgenomen, geen voorschot is toegekend en niets is teruggevorderd. Ook op een andere manier is niet gebleken dat in deze periode uitvoeringshandelingen zijn verricht die wijzen op institutioneel vooringenomen handelen of te harde toepassing van het wettelijk systeem. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser betoogt verder dat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend voor de terugvordering voor toeslagjaar 2009. De betalingsregelingen die wel zijn toegekend, zijn standaard betalingsregelingen waarbij geen rekening is gehouden met de betalingscapaciteit van eiser.
6.1.
De Dienst Toeslagen kent, op aanvraag, een O/GS-tegemoetkoming toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag indien aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend vanwege een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld van hemzelf voor het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. [3]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat er geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend. Uit een door de Dienst Toeslagen overgelegde beschikking volgt dat er op 4 december 2013 een persoonlijke betalingsregeling is toegekend voor de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag over toeslagjaren 2009 en 2012 voor een bedrag van € 60,- per maand. Met de brief van 23 juli 2015 is aan eiser bekend gemaakt dat de betalingsregeling is komen te vervallen, omdat is gebleken van een achterstand in de betalingen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Het bestreden besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel. De Dienst Toeslagen heeft de onder 6.2 genoemde beschikking van 4 december 2013 pas op 16 januari 2026 aan de rechtbank toegestuurd. Eiser moest in beroep gaan om inzage te krijgen in deze beschikking, terwijl deze beschikking belangrijk was voor de motivering van het bestreden besluit. Zonder kennisgeving van deze beschikking kleefde er dus een gebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank gaat er vanuit dat eiser bekend was met de betalingsregeling waar hij zelf om had gevraagd en daarmee bekend was met de inhoud van de beschikking van 4 december 2013. Uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) volgt ook dat hij hieraan uitvoering heeft gegeven. De rechtbank acht het daarom evident dat eiser door de schending van het motiveringsbeginsel niet is benadeeld en passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026 door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.
2.ABRvS 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.
3.Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.