Eiseres veroorzaakte op 13 november 2024 een aanrijding en vertoonde daarbij verward gedrag, wat aanleiding gaf tot twijfel over haar geestelijke rijgeschiktheid. Het CBR legde haar daarop een medisch onderzoek op. Eiseres betwistte dit besluit en voerde aan dat het CBR onvoldoende had gemotiveerd waarom het vermoeden van ongeschiktheid bestond en dat haar gedrag verklaard kon worden door shock.
De rechtbank overwoog dat het CBR op basis van processen-verbaal, opgesteld door politieverbalisanten, een vermoeden van ongeschiktheid mocht aannemen. De verklaringen over het gedrag van eiseres, waaronder het niet openen van de deur en onsamenhangende verklaringen, rechtvaardigden het vermoeden. Ook mocht het CBR de opmerking van de dochter over een mogelijke manisch depressieve stoornis meewegen.
De rechtbank verwierp het beroep van eiseres en concludeerde dat het CBR het onderzoek terecht had opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.