ECLI:NL:RBROT:2026:3398

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
FT RK 25-2251
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 FwArt. 23 FwArt. 33 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging faillissement na betalingsregeling met schuldeisers

De rechtbank Rotterdam heeft op 12 februari 2026 uitspraak gedaan in het verzet van [persoon A] tegen het faillissement dat op 20 januari 2026 was uitgesproken. [persoon A] had een betalingsregeling getroffen met de schuldeisers [VOF A] en [VOF B], die het verzoek tot faillietverklaring niet langer handhaafden.

Tijdens het faillissement had de curator twee voertuigen verkocht, waarvan de opbrengst op de boedelrekening stond. Door een beslag op de kentekens kon [persoon A] aanvankelijk niet over deze opbrengst beschikken, maar na opheffing van het beslag kon de verkoop worden afgerond en kon [persoon A] de betalingsafspraken nakomen.

De rechtbank oordeelde dat de faillissementstoestand niet langer bestond omdat de schuldeisers het verzoek tot faillietverklaring niet handhaafden en [persoon A] de betalingsregeling kon nakomen. Daarom werd het faillissement vernietigd. Tevens stelde de rechtbank het salaris van de curator vast op € 8.800,00 exclusief btw, te betalen door [persoon A].

Uitkomst: Het faillissement van [persoon A] wordt vernietigd na het treffen van een betalingsregeling met schuldeisers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
verzet gegrond; het faillissement wordt vernietigd
insolventienummer [nummer]
uitspraakdatum: 12 februari 2026
Vonnis op het verzetschrift van:
[persoon A] ,
wonende te [adres]
[postcode 1] [woonplaats 1] ,
kantoorhoudende te [vestigingsadres 1] ,
[postcode 2] [woonplaats 2] ,
nevenvestiging te [vestigingsadres 2] ,
[postcode 3] [vestigingsplaats 1] ,
aldaar handelend onder de namen:
[handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] , [handelsnaam 3] , [handelsnaam 4] , [handelsnaam 5] , [handelsnaam 6] . [handelsnaam 7] , [handelsnaam 8] , [handelsnaam 9] , [handelsnaam 10] , [handelsnaam 11] , [handelsnaam 12] , [handelsnaam 13] ,
hierna: [persoon A] ,
advocaat: mr. P. Beerda,
strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van
20 januari 2026, waarbij hij op verzoek van:
1.
[VOF A]
,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: [VOF A] ,
2.
[VOF B]
,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
hierna: [VOF B] ,
advocaat: mr. J.W. Hilhorst,
in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. M.C. Snel-van den Hout tot rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris) en met aanstelling van mr. S.A. van Aalst als curator (hierna: de curator).

1.De procedure

Het verzetschrift is op 3 februari 2026 ter griffie ontvangen.
Het verzetschrift is op de zitting van 9 februari 2026 behandeld. Op de zitting zijn verschenen:
  • [persoon A] ;
  • mr. P. Beerda, de advocaat van [persoon A] ;
  • de curator.
[VOF A] en [VOF B] zijn niet op die zitting verschenen. Mr. J.W. Hilhorst heeft namens zijn cliënten bij berichten van 30 januari 2026 en 6 februari 2026 laten weten dat zij niet zullen verschijnen omdat zij al hebben ingestemd met een pro forma behandeling en met de vernietiging van het faillissement.
De rechtbank heeft in voorbereiding op en na de behandeling van het verzetschrift de volgende stukken ontvangen:
  • het advies, inclusief het salarisverzoek, van 6 februari 2026 van de curator;
  • de brief van 10 februari 2026 van mr. P. Beerda;
  • de brief van 10 februari 2026 van de curator.
Ten slotte is bepaald om op 12 februari 2026 uitspraak te doen.

2.De beoordeling

[persoon A] is ontvankelijk in zijn verzoek
Het verzetschrift is op 3 februari 2026 ter griffie ontvangen en is daarmee tijdig ontvangen, zodat [persoon A] ontvankelijk is in zijn verzoek.
Grond van het verzet: [persoon A] heeft met [VOF A] en [VOF B] een betalingsregeling getroffen
Uit het verzetschrift blijkt dat [persoon A] met [VOF A] en [VOF B] een betalingsregeling heeft getroffen, waarbij is afgesproken dat (i) [persoon A] aan [VOF A] een bedrag van € 14.000,00 betaalt, onder de voorwaarde dat voornoemd bedrag voorafgaand aan de vernietiging van het faillissement op de boedelrekening van de curator dan wel op een derdengeldenrekening aanwezig is en (ii) [persoon A] aan [VOF B] per 1 maart 2026 voor een periode van drie maanden een bedrag van € 1.500,00 per maand betaalt. Daarna zullen [persoon A] en [VOF B] onderling een nieuw (verhoogd) bedrag afspreken. Daarmee ontbreekt volgens [persoon A] de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.
Kan [persoon A] de betalingsregeling nakomen?
De curator heeft op verzoek van [persoon A] en met toestemming van de rechter-commissaris tijdens het faillissement twee voertuigen verkocht. De curator heeft de verkoopopbrengst van de voertuigen van € 27.255,00 exclusief btw ontvangen op de boedelrekening. Daarnaast heeft de curator ook een positief banksaldo van € 2.622,26 ontvangen op de boedelrekening. Het actuele boedelsaldo bedraagt daarmee ongeveer € 30.000,00.
De curator heeft in haar advies van 6 februari 2026 laten weten dat zij op de hoogte is gesteld van een beslaglegging op de kentekens van de verkochte voertuigen voor datum faillissement waardoor zij de verkoop van die voertuigen niet heeft kunnen afronden. De beslagen zijn weliswaar vervallen door het faillissement maar zullen herleven na vernietiging (art. 33 lid 2 Fw Pro). [persoon A] kan daardoor (nog) niet vrijelijk beschikken over de verkoopopbrengst van die voertuigen en kan daardoor ook niet de gemaakte afspraak met [VOF A] tot betaling van € 14.000,00 nakomen.
De rechtbank heeft [persoon A] in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beslag op de kentekens van de verkochte voertuigen alsnog zal worden opgeheven zoals door [persoon A] ter zitting werd aangekondigd. [persoon A] heeft dat vervolgens aangetoond in de brief van mr. Beerda van 10 februari 2026.
Daaropvolgend heeft de curator in haar brief van 10 februari 2026 bevestigd dat het beslag is opgeheven en heeft daarbij aangegeven dat de verkoop van de twee voertuigen inmiddels is afgerond. [persoon A] kan daardoor nu vrijelijk over de verkoopopbrengst van die voertuigen beschikken en zal daardoor de gemaakte afspraak met zowel [VOF A] als [VOF B] kunnen nakomen.
Mag [persoon A] de verkoopopbrengst van die voertuigen gebruiken om de afspraken met [VOF A] en [VOF B] na te komen?
De rechter-commissaris heeft bij haar toestemming aan de curator om twee voertuigen te verkopen het volgende aan de curator meegedeeld:
“De rechter-commissaris geeft toestemming voor uw verzoek. De vervolgens te maken beoordeling in het verzet of van de opbrengst van de verkoop van de voertuigen de aanvrager(s) van het faillissement mag worden betaald is aan de verzetrechter.”
De rechtbank hoeft niet te oordelen of [persoon A] de verkoopopbrengst van die voertuigen mag gebruiken voor de betalingsregeling en overweegt daartoe als volgt. Zolang het faillissement duurt, valt de opbrengst onder het faillissementsbeslag (art. 23 Fw Pro). Vernietiging van het faillissement werkt terug waarbij de verrichte handelingen van de curator voor de schuldenaar bindend blijven (art. 13 Fw Pro). Het faillissementsbeslag is dan vervallen en de schuldenaar kan daarmee zelf over de opbrengst beschikken.
Bestaan de voorwaarden voor de faillietverklaring nog?
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1473) overwogen dat de schuldenaar in verzet alsnog mag aanvoeren dat de faillissementstoestand ‘nu’ niet of niet meer bestaat (er vindt een toetsing ‘ex-nunc’ plaats). Het rechtsmiddel van verzet heeft namelijk de bedoeling dat de procedure bij dezelfde rechter wordt voortgezet. Dat betekent dat de rechtbank ‘nu’ – op dit moment – opnieuw moet beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan voor de faillietverklaring van [persoon A] . Daarvoor is nodig dat (a) de schuldeiser het verzoek doet en handhaaft, (b) deze schuldeiser een vorderingsrecht heeft en (c) [persoon A] in de toestand verkeert dat hij is opgehouden met betalen.
Nu [persoon A] met [VOF A] en [VOF B] een betalingsregeling heeft getroffen en beide schuldeisers hebben verklaard niet langer het verzoek tot faillietverklaring te handhaven, zal de rechtbank het faillissement vernietigen.
Na vernietiging van het faillissement kan [persoon A] zijn betalingen hervatten en gebruikmaken van het vrijgekomen boedelsaldo van ongeveer € 30.000,00 om de betalingsregeling met [VOF A] en [VOF B] na te komen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de rechtbank niet toetst of [persoon A] ook overigens (ten opzichte van zijn overige schuldeisers) is opgehouden te betalen. Omdat nu niet (langer) aan de voorwaarden voor de faillietverklaring op verzoek van [VOF A] en [VOF B] wordt voldaan, kan de rechtbank, gelet op het voornoemde arrest van de Hoge Raad, niet anders dan het faillissement vernietigen. Als er andere schuldeisers zijn die het faillissement willen uitlokken, kunnen zij zelf een aanvraag tot faillissement indienen.
Salaris curator
De rechtbank zal het salaris van de curator en de verschotten vaststellen. De rechtbank houdt daarbij rekening met het feit dat de curator haar salaris in overleg met [persoon A] gemaximaliseerd heeft op € 8.800,00, exclusief btw. [persoon A] is met [VOF A] en [VOF B] overeengekomen dat het salaris en de kosten voor zijn rekening komen.

3.De beslissing

De rechtbank:
  • vernietigt het vonnis van deze rechtbank van 20 januari 2026, waarbij [persoon A] in staat van faillissement is verklaard;
  • stelt het salaris van de curator vast op € 8.800,00 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van [persoon A] ;
- stelt de verschotten vast op € 459,47 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van [persoon A] .
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.