De rechtbank Rotterdam heeft op 12 februari 2026 uitspraak gedaan in het verzet van [persoon A] tegen het faillissement dat op 20 januari 2026 was uitgesproken. [persoon A] had een betalingsregeling getroffen met de schuldeisers [VOF A] en [VOF B], die het verzoek tot faillietverklaring niet langer handhaafden.
Tijdens het faillissement had de curator twee voertuigen verkocht, waarvan de opbrengst op de boedelrekening stond. Door een beslag op de kentekens kon [persoon A] aanvankelijk niet over deze opbrengst beschikken, maar na opheffing van het beslag kon de verkoop worden afgerond en kon [persoon A] de betalingsafspraken nakomen.
De rechtbank oordeelde dat de faillissementstoestand niet langer bestond omdat de schuldeisers het verzoek niet handhaafden en [persoon A] een betalingsregeling was overeengekomen. Daarom werd het faillissement vernietigd. Tevens stelde de rechtbank het salaris van de curator vast op € 8.800 exclusief btw en bracht dit ten laste van [persoon A].