Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3388

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
26/2005
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3.1.3 Verordening woonruimtebemiddeling Rotterdam 2025Artikel 3.1.4 Verordening woonruimtebemiddeling Rotterdam 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking urgentieverklaring woningzoekende

Verzoekster had sinds oktober 2023 een urgentieverklaring op grond van ernstige en chronische medische problematiek. Het college trok deze verklaring in nadat verzoekster op 4 juli 2025 was uitgeschreven als woningzoekende wegens het niet tijdig verlengen van haar inschrijving. Verzoekster stelde bezwaar en beroep in tegen deze besluiten en vroeg om een voorlopige voorziening om met voorrang op woningen te kunnen reageren.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 25 maart 2026 en wees het af. Er was geen belangrijke wijziging in de feiten sinds de eerdere afwijzing van een voorlopige voorziening op 31 oktober 2025. Verzoekster stond sinds 21 november 2025 weer ingeschreven, maar er was geen bewijs dat zij op woningen reageerde. De rechter benadrukte dat een voorlopige voorziening tijdens bezwaar en beroep in beginsel geldt totdat op het bezwaar of beroep is beslist, tenzij er ernstige onvolkomenheden of belangrijke wijzigingen zijn.

De rechter wees erop dat verzoekster een nieuwe aanvraag voor een urgentieverklaring kan indienen en dat de geldende verordening hieraan geen belemmering vormt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet toe.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de urgentieverklaring wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2005
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] verzoekster

(gemachtigde: mr. A. el Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).

Inleiding

1. Met het primaire besluit van 15 september 2025 heeft het college de urgentieverklaring van verzoekster ingetrokken. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
5. Verzoekster heeft sinds oktober 2023 een urgentieverklaring op de urgentiegrond ‘ernstige en chronische medische problematiek’. Verzoekster is op 4 juli 2025 uitgeschreven als woningzoekende bij WoonnetRijnmond, omdat zij haar inschrijving niet op tijd heeft verlengd. Het college heeft vervolgens de urgentieverklaring ingetrokken, omdat verzoekster niet meer als woningzoekende stond ingeschreven. Verzoekster is het niet eens met de intrekking van haar urgentieverklaring. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij weer met voorrang kan reageren op woningen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Verzoekster heeft tijdens de bezwaarprocedure ook al een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Bij uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. [1]
8. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Als hangende dat bezwaar of beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van het bestuursorgaan ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit is slechts anders als er sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
9. Verzoekster staat sinds 21 november 2025 weer ingeschreven als woningzoekende, maar er is niet gebleken dat zij op woningen reageert. Er heeft sinds de vorige uitspraak daarom geen belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden plaatsgevonden. Daarnaast zou verzoekster een nieuwe aanvraag voor een urgentieverklaring in kunnen dienen. Artikel 3.1.3, tweede lid, aanhef en onder o, van de Verordening woonruimtebemiddeling Rotterdam 2025 lijkt hieraan niet in de weg te staan, omdat de urgentieverklaring niet is ingetrokken op grond van de in dit artikel genoemde redenen. [2]

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster vooralsnog niet met voorrang kan reageren op woningen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Het college van burgemeester en wethouders kan de aangevraagde urgentieverklaring weigeren als de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van het huishouden van aanvrager verleende urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 3.1.4, eerste lid, onder f, of tweede lid, onder b, c of d.