Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2932

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/10/666511 / FA RK 23-7181
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verhuizing en hoofdverblijf van minderjarige bij vader

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen ouders over de verhuizing van het oudste minderjarige kind en de hoofdverblijfplaats. De vader verzocht om vervangende toestemming om met het kind naar een andere plaats te verhuizen en het hoofdverblijf bij hem te vestigen. De moeder verzette zich hiertegen en stelde dat het belang van het kind bij haar woonplaats bleef.

De rechtbank oordeelde dat de vader onvoldoende noodzaak had aangetoond voor de verhuizing en dat de zorgen die hij had over het welzijn van het kind niet feitelijk waren onderbouwd. Tevens werd meegewogen dat het kind geworteld is in haar huidige omgeving en niet van haar zusje gescheiden wil worden. Ook de mate van overleg tussen ouders liet te wensen over, waarbij incidenten op het schoolplein schadelijk werden bevonden.

Gelet op deze belangenafweging wees de rechtbank het verzoek van de vader af en bepaalde dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de moeder blijft. De voorlopige zorgregeling blijft ongewijzigd in afwachting van het traject ouderschapsbemiddeling. De definitieve kinderbijdrage wordt vastgesteld conform de eerdere voorlopige beschikking, tenzij partijen binnen een week gemotiveerd anders verzoeken.

De rechtbank verwees de zaak naar de enkelvoudige kamer voor verdere beslissingen en stelde partijen in de gelegenheid om zich over de kinderbijdrage uit te laten. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoek vader tot verhuizing en wijziging hoofdverblijf van het oudste kind wordt afgewezen; hoofdverblijf blijft bij moeder.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/666511 / FA RK 23-7181
Beschikking van 3 februari 2026 over verhuizing, hoofdverblijfplaats, zorgregeling, school en kinderbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.F. van Drenth te Gorinchem,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. L.J.E. Warbroek te Eindhoven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 oktober 2023;
  • het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 11 juni 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 11 september 2025;
  • het gewijzigd petitum van de man, ingekomen op 19 september 2025;
  • de berichten met bijlagen van de vrouw van 19 september 2025 en 29 september 2025,
  • de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2025;
  • het aanvullend verzoek met bijlagen van de man, ingekomen 9 december 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen van de vrouw op het aanvullend verzoek, ingekomen 16 december 2025;
  • het bericht met bijlage van de vrouw, van 17 december 2025;
  • het bericht met bijlage van de man, van 18 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hun mening schriftelijk gegeven.

2.De verdere procedure

2.1.
Bij beschikking van 22 oktober 2025 van deze rechtbank is een voorlopige door partijen getroffen regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken opgenomen, bepaald dat de man de minderjarigen voorlopig brengt en haalt, en bepaald dat partijen zorgen dat de minderjarigen op weekenddagen aan hun huidige sportactiviteiten kunnen deelnemen. Tevens is een voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderbijdrage) van de minderjarigen bepaald en zijn partijen doorverwezen naar het traject ouderschapsbemiddeling. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling en kinderbijdrage is aangehouden tot 1 juli 2026. Tot slot is iedere beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf, de inschrijving op school en de voorlopige zorgregeling en kinderbijdrage aangehouden tot 19 december 2025.

3.De beoordeling

3.1.
Vervangende toestemming verhuizing met [minderjarige 1]
3.1.1.
De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen met het oudste minderjarige kind van partijen, [minderjarige 1] , naar [plaatsnaam] te mogen verhuizen.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige(n) wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige(n) weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
3.1.4.
Tegenover het belang van een ouder om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
  • de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder en zussen en/of broers voor en na de verhuizing;
  • de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg;
  • de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen.
3.1.5.
De man wil dat [minderjarige 1] bij hem komt wonen, omdat hij zich zorgen maakt over haar welzijn op het moment dat zij bij de vrouw verblijft. De man heeft deze zorgen niet om [minderjarige 2] en daarom ziet zijn verzoek enkel op [minderjarige 1] . De vrouw ontkent de zorgen die de man heeft en stelt dat het met [minderjarige 1] juist goed gaat bij haar. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zijn zorgen sinds de beschikking van 22 oktober 2025 zijn afgenomen en dat de vrouw op dit moment juist heel lief is voor [minderjarige 1] . Hij stelt dat dit echter slechts in aanloop naar de mondelinge behandeling en uitspraak in deze zaak is en vreest dat de vrouw [minderjarige 1] weer slechter zal behandelen na deze uitspraak.
3.1.6.
De rechtbank is van oordeel dat de zorgen van man onvoldoende onderbouwd zijn. De rechtbank ziet geen feitelijke aanwijzingen ter ondersteuning van het standpunt van de man. De rechtbank kan het daarnaast niet met elkaar rijmen dat de man stelt zich veel zorgen te maken om [minderjarige 1] , maar tegelijkertijd de zorgregeling sinds de vorige uitspraak niet nakomt. Als de man zich werkelijk zo veel zorgen maakte, dan ligt het voor de hand iedere tijd die mogelijk met de minderjarige kan worden besteed, te benutten. Immers, op die manier wordt de minderjarige minder lang blootgesteld aan het – in de ogen van de man – negatieve klimaat bij de vrouw en kan hij de minderjarige ondersteunen in het daarmee omgaan. De rechtbank concludeert dat wat de man als noodzaak voor een verhuizing van zichzelf met [minderjarige 1] naar [plaatsnaam] opvoert, feitelijk niet is gebleken.
3.1.7.
Ook heeft de man bij zijn wens om te verhuizen met [minderjarige 1] onvoldoende rekening gehouden met de worteling van Isabelle in haar huidige omgeving het feit dat verhuizen met [minderjarige 1] betekent dat de minderjarigen uit elkaar gehaald zouden worden. Het is in het algemeen in het belang van minderjarigen dat zij samen opgroeien met hun broers en/of zussen en de rechtbank heeft geen aanknopingspunten waarom dit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] anders zou zijn. [minderjarige 1] geeft zelf in haar brief aan de kinderrechter aan dat zij bij haar moeder wil blijven wonen, dat zij het naar haar zin heeft op school en dansles en dat ze niet van haar zusje gescheiden wil worden. Met andere woorden: zij voelt zich geworteld in haar huidige woonomgeving bij de vrouw en wil niet weg bij haar zusje.
3.1.8.
Daarbij komt dat de rechtbank zich zorgen maakt over de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg. Ouders betrekken op dit moment de minderjarigen in hun strijd. Er heeft zelfs een keer een incident plaatsgevonden op het schoolplein waarbij partijen letterlijk aan [minderjarige 1] trokken. Dat gedrag is schadelijk voor de minderjarigen. De rechtbank hoopt dat partijen dit inzien en verwacht van partijen dat dergelijke incidenten niet meer zullen plaatsvinden. De minderjarigen moeten buiten conflicten op ouderniveau gehouden worden en letterlijk trekken aan kinderen gaat alle perken te buiten.
3.1.9.
Alle belangen tegen elkaar afwegend, wordt gelet op het voorgaande het verzoek van de man vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing met [minderjarige 1] naar [plaatsnaam] afgewezen.
3.2.
Hoofdverblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben.
3.2.2.
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar het adres van de man te [plaatsnaam] .
3.2.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.2.4.
De minderjarigen wonen feitelijk sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe, onder afwijzing van het verzoek van de man. Aangezien het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing wordt afgewezen, zullen de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw behouden. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 22 oktober 2025 een voorlopige zorgregeling opgenomen. Gelet op het feit dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw blijft, verandert er feitelijk niks voor de minderjarigen ten opzichte van de gegeven beslissing in de tussenbeschikking. De rechtbank zal deze voorlopige regeling daarom nog niet wijzigen en haar definitieve beslissing aanhouden in afwachting van het UHA-traject.
3.3.2.
Wel wil zij partijen meegeven dat in de praktijk is gebleken dat de huidige regeling niet altijd haalbaar is voor de man. Dit komt doordat de minderjarigen ook in de weekenden sporten en het daarvoor heen en weer rijden voor de man lastig te combineren is met zijn nieuwe gezin. De vrouw heeft daarom ruimte geboden voor een aanpassing in die zin dat de minderjarigen bijvoorbeeld pas op zaterdag na het sporten naar de man kunnen gaan, en dat zij in de zomer- of winterstop van de sporten vaker naar de man kunnen of bijvoorbeeld twee weekenden achter elkaar vanaf zaterdag na het sporten. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen over deze en andere mogelijkheden binnen het UHA-traject in overleg gaan.
3.4.
Inschrijving school
3.4.1.
De man verzoekt voorwaardelijk, indien zijn verzoek over de hoofdverblijfplaats wordt toegewezen, hem vervangende toestemming te verlenen de minderjarige [minderjarige 1] in te schrijven op [naam school] te [plaatsnaam] .
3.4.2.
Aangezien de rechtbank zijn verzoek om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] te verkrijgen afwijst, gaat de voorwaarde die de man verbindt aan zijn verzoek niet in vervulling. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van dit verzoek.
3.5.
Kinderbijdrage
3.5.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage van € 418,- per maand per kind moet voldoen met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift, 4 oktober 2023.
3.5.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt - voor zover nog relevant na de onderhavige beslissing over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] -:
  • primair te bepalen dat hij € 277,- per maand bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen;
  • subsidiair te bepalen dat hij € 402,- per maand bijdraagt.
3.5.3.
De rechtbank heeft in de beschikking van 22 oktober 2025 reeds een berekening gemaakt (voor de situatie dat beide minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw) en bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage van € 627,- per maand in totaal moet voldoen. De rechtbank gaat, omdat het hoofdverblijf bij de vrouw blijft, ervan uit dat partijen een definitieve beslissing willen conform de voorlopige beslissing. De rechtbank zal dit dan ook vastleggen als definitieve kinderbijdrage, tenzij een van beide partijen gemotiveerd vraagt om een nieuwe mondelinge behandeling met aanvoering van nieuwe argumenten. Dit mogen nadrukkelijk geen hoger beroepsargumenten zijn, maar enkel gewijzigde of aanvullende omstandigheden. Partijen krijgen van de rechtbank de gelegenheid zich hier binnen een week na deze beschikking over uit te laten. Daarna zal de rechtbank de verdere procesgang op dit punt bepalen.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Nu nog niet definitief over de kinderbijdrage wordt beslist, wordt ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
3.7.
Verwijzing naar de enkelvoudige kamer
3.7.1.
Voor het nemen van de nog resterende beslissingen verwijst de rechtbank de zaak naar de enkelvoudige kamer, omdat de nu nog voorliggende verzoeken geschikt zijn voor enkelvoudige behandeling.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst af de verzoeken van de man aan hem vervangende toestemming te verlenen met het oudste kinderjarige kind van partijen, [minderjarige 1] , naar [plaatsnaam] te mogen verhuizen en haar hoofdverblijf bij hem te bepalen;
4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
4.3.
verklaart onderdeel 4.2 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
stelt partijen in de gelegenheid de rechtbank tijdig te berichten als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.3;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling en de proceskosten aan tot 1 juli 2026 PRO FORMA;
4.6.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de enkelvoudige kamer.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter en (kinder)rechter,
mr. K. Bakker en mr. I.J. Pieters, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. B.J. Louter, griffier, op 3 februari 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.