ECLI:NL:RBROT:2026:2912

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
ROT 26/1273
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:20 AwbArt. 4:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing voorlopige voorziening opvang ontheemden Oekraïne

De zaak betreft een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen om opheffing van een eerder getroffen voorlopige voorziening die het college verplicht opvang te bieden aan Oekraïense ontheemden. De voorlopige voorziening was getroffen na bezwaar van de Oekraïners tegen het uitblijven van een besluit op hun aanvraag voor opvang.

De voorzieningenrechter overweegt dat het bezwaar van 12 november 2025 tegen de feitelijke weigering om opvang te verlenen, mede betrekking heeft op het besluit van 11 december 2025. Hierdoor is het bezwaar ontvankelijk en blijft de voorlopige voorziening van kracht. Het college heeft een resultaatsverplichting om opvang te bieden of alternatieve maatregelen te treffen.

Het verzoek tot opheffing wordt afgewezen omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaar ontbreekt of dat het onmogelijk is om aan de voorlopige voorziening te voldoen. De voorzieningenrechter benadrukt het voorlopige karakter van de uitspraak en dat het aan het college is om een besluit te nemen op het bezwaar van de Oekraïners.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college blijft verplicht opvang te bieden aan de Oekraïense ontheemden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1273

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

(gemachtigde: mr. C.J. Dekker en mr. R. Yahya),
en

[persoon A] en [persoon B] , zonder formele verblijfplaats, Oekraïners,

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van het college om de voorlopige voorziening, die is getroffen met de uitspraak van 22 december 2025 en is gewijzigd met de uitspraak van 26 januari 2026, op te heffen. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 11 december 2025 niet. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Zitting

1.1.
Het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening is op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college, [persoon C] namens het college en de gemachtigde van de Oekraïners.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Voorgeschiedenis
2. De Oekraïners hebben zich eerder op het standpunt gesteld dat zij uit Oekraïne zijn gevlucht en op 3 september 2025 in Nederland zijn aangekomen. Zij hebben zich bij het college gemeld voor opvang. Op 29 oktober 2025 hebben zij daartoe een schriftelijke aanvraag gedaan. Toen een beslissing uitbleef, hebben verzoekers op 12 november 2025 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke weigering tot het verlenen van opvang en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Op de zitting van 27 november 2025 is inhoudelijk gesproken over de opvangverplichting onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] en de daarop gebaseerde regelgeving. Ook is gesproken over het ontbreken van een schriftelijk besluit op de aanvraag van verzoekers. Met partijen is afgesproken dat het college, hangende het onderzoek, alsnog een besluit neemt op de aanvraag van verzoekers. Het college heeft op 11 december 2025 dit besluit genomen. Met de uitspraak van 22 december 2025 [2] heeft de voorzieningenrechter het college vervolgens opgedragen verzoekers binnen 72 uur na de uitspraak tot 6 weken na de beslissing op bezwaar opvang te bieden. Het college is hiertoe verplicht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO). [3] In de uitspraak is ook overwogen dat, als de opvangvoorziening bezet is, op basis van artikel 3 van Pro de RooO ook tijdelijk alternatieve opvang kan worden geboden dan wel het college financiële middelen ter beschikking kan stellen zodat de ontheemde zelf opvang kan regelen en betalen.
3. De begunstigingstermijn van de uitspraak verliep op 25 december 2025. Het college heeft verzoekers op 7 januari 2026 laten weten op dat moment niet voornemens te zijn tot uitvoering van de uitspraak over te gaan gelet op de inhoud en strekking van de uitspraak. De Oekraïners hebben vervolgens verzocht de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen in die zin dat aan het college een dwangsom wordt opgelegd omdat het college niet voldoet aan de uitspraak van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 26 januari 2026 [4] bepaald dat het college een dwangsom verbeurt als het niet binnen 24 uur na die uitspraak alsnog voldoet aan de eerder getroffen voorlopige voorziening.
4. Ook op 26 januari 2026 heeft het college verzocht de getroffen voorlopige voorziening op te heffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek met de uitspraak van 2 februari 2026 [5] afgewezen omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet is gebleken dat het onmogelijk is om (tijdelijk) alternatieve opvang te bieden aan de Oekraïners en dat geen twijfel bestond dat aan de voorlopige voorziening kon worden voldaan.
5. Het college verstrekt sinds de uitspraak van 26 januari 2026 een vergoeding aan de Oekraïners van € 44,- per persoon per dag, waarmee de Oekraïners zelf in hun opvang moeten voorzien.
Standpunt partijen
6. Het college heeft thans nogmaals om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening verzocht. Het college voert daartoe aan dat de Oekraïners geen bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit op hun aanvraag voor opvang van 11 december 2025. Aangezien de getroffen voorlopige voorziening loopt tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist, heeft de getroffen voorlopige voorziening – bij gebrek aan een bezwaarschrift – haar voorlopige karakter verloren en is deze onuitvoerbaar geworden. De schriftelijke reactie van de Oekraïners van 12 november 2025, zoals die in de eerste procedure naar voren is gebracht, kwalificeert niet als een bezwaarschrift. Ook is er geen sprake van een feitelijke weigering om een besluit te nemen. De beslistermijn van artikel 4:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) liep nog. Verder mist artikel 6:19 van Pro de Awb in dit geval toepassing.
7. De gemachtigde van de Oekraïners stelt dat geen grondslag bestaat voor het verzoek om opheffing. De Oekraïners hebben gedurende de eerste procedure bezwaar gemaakt tegen de feitelijke weigering om opvang te verlenen. Het college zou vervolgens een besluit nemen en daarna is er een verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Op grond van artikel 6:10 van Pro de Awb kan het bezwaarschrift ontvankelijk worden geacht.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om de eerder getroffen voorlopige voorziening op te heffen af. Zij overweegt daartoe als volgt.
8.1.
Zoals volgt uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2025, hebben de Oekraïners een schriftelijke aanvraag gedaan, is een beslissing op de aanvraag uitgebleven en is bezwaar gemaakt tegen de feitelijke weigering om opvang te bieden. Feitelijk beschouwd had het college dit bezwaarschrift moeten doorzenden aan de rechtbank ter behandeling als een beroep ‘niet tijdig beslissen’ [6] . Uit het proces-verbaal van de zitting van de zitting van 27 november 2025 volgt dat de voorzieningenrechter ook heeft voorgehouden dat het een juridische discussie aan het worden is, terwijl het gaat om reële problemen en sprake is van een harde verplichting om opvang te regelen. De voorzieningenrechter heeft in dat kader ook gevraagd of, als wordt uitgegaan van een verzoek om voorlopige voorziening hangende een beroep niet tijdig beslissen, het college dan binnen een week zou kunnen beslissen. Dit om wel een ingang te bieden. Om praktische redenen – zoals het college zelf heeft aangegeven – is vervolgens met instemming van beide partijen op de zitting van 27 november 2025 overeengekomen dat het college alsnog binnen twee weken zou beslissen op de aanvraag. Het college heeft daarna op 11 december 2025 beslist en de aanvraag om opvang afgewezen. Omdat op het college een resultaatsverplichting rust die voorschrijft dat het college zorg moet dragen voor opvang van ontheemden (dan wel het college op grond van artikel 3 van Pro de RooO moet zorgdragen voor een alternatief als de opvangvoorziening bezet is), is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, inhoudende dat het college aan de Oekraïners opvang moet verlenen tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.
8.2.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat geen sprake is van een bezwaar tegen het besluit van 11 december 2025 niet. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat in de uitspraak van 22 december 2025, nadat alsnog op 11 december 2025 is beslist, een voorziening is getroffen. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat sprake is geweest van connexiteit. Dat hangt, naar de voorzieningenrechter begrijpt en gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, samen met het alsnog genomen reële besluit en het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Hoewel artikel 6:20 van Pro de Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, wordt ten aanzien van voorlopige voorzieningen die betrekking hebben op het niet tijdig nemen van een besluit in primo of in bezwaar wel overeenkomstige toepassing gegeven aan artikel 6:20 van Pro de Awb [7] . Dit betekent dat niet alsnog bezwaar hoefde te worden gemaakt tegen het (reële) besluit van 11 december 2025; het zogeheten bezwaar van 12 november 2025 heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter mede betrekking op het (reële) besluit van 11 december 2025.
8.3.
De voorzieningenrechter vermag ook overigens niet inzien waarom het college niet alsnog zou kunnen beslissen. De Oekraïners hebben immers – in het bezwaar tegen de feitelijke weigering – inhoudelijk uiteengezet waarom zij menen dat het college opvang dient te verlenen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de voorlopige voorziening die is getroffen met de uitspraak van 22 december 2025 en is gewijzigd met de uitspraak van 26 januari 2026 niet wordt opgeheven. Het is aan het college om een besluit te nemen op het bezwaar van de Oekraïners. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening, die is getroffen met de uitspraak van 22 december 2025 en is gewijzigd met de uitspraak van 26 januari 2026, af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG).
2.Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:15050).
3.De opvangverplichting voor lidstaten volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. In Nederland rust die verplichting op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de RooO op het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente.
4.Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:626).
5.Uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:876).
6.Gelet op het bepaalde in artikel 6:15 van Pro de Awb.
7.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2680).