ECLI:NL:RBROT:2026:2909

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
ROT 26/174
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 Zw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering Ziektewet-uitkering na ontslag op staande voet

Verzoeker was werkzaam bij een tankstation en meldde zich ziek op 7 juli 2025. Na meerdere waarschuwingen en het niet opnemen van contact werd hij op 15 augustus 2025 op staande voet ontslagen door zijn ex-werkgever. De ex-werkgever, als eigenrisicodrager, verzocht het UWV om de Ziektewet-uitkering van verzoeker met 100% te verlagen wegens een benadelingshandeling.

Het UWV besloot op 18 november 2025 de Ziektewet-uitkering over de periode van 18 augustus 2025 tot en met 4 april 2026 te weigeren. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat het ontslag onrechtmatig was, dat het UWV de hoorplicht had geschonden en dat de maatregel disproportioneel was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had, omdat hij bij zijn moeder woont die van een bijstandsuitkering leeft, hij inkomsten uit studiefinanciering en stagevergoedingen heeft, en er onvoldoende inzicht was in zijn schulden. Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, omdat verzoeker niet tijdig tegen het ontslag op staande voet is opgekomen, wat een benadelingshandeling vormt volgens artikel 45, eerste lid, onder j, van de Ziektewet.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af, waardoor het UWV voorlopig geen Ziektewet-uitkering hoeft te verstrekken. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/174

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. O.F.X. Roozemond),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

het UWV
(gemachtigde: [persoon A] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf X] . uit [plaats 2] ,
ex-werkgever.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het UWV van 18 november 2025. Daarin heeft het UWV een maatregel opgelegd inhoudende dat een Ziektewet (Zw) uitkering wordt geweigerd over de periode van 18 augustus 2025 tot en met 4 april 2026 en deze niet wordt uitbetaald door de ex-werkgever. Verzoeker is het niet eens met dit besluit. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 heeft het UWV beslist dat de Zw-uitkering over de periode van 18 augustus 2025 tot en met 4 april 2026 wordt geweigerd, en dus niet wordt uitbetaald door de ex-werkgever. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de moeder van verzoeker [persoon B] , de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het UWV (via een beeldverbinding).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

3. Verzoeker was werkzaam bij de ex-werkgever als medewerker bij een tankstation. Op 7 juli 2025 heeft hij zich ziekgemeld. De ex-werkgever heeft aan verzoeker op 13 juni 2025, 18 juni 2025, 28 juli 2025, 1 augustus 2025, 8 augustus 2025 en 13 augustus 2025 een waarschuwing gestuurd. Verzoeker zou zich volgens de ex-werkgever niet aan de regels hebben gehouden. In het kader van verzoekers ziekmelding en de verzuimbegeleiding hierin, heeft de ex-werkgever geprobeerd met verzoeker in contact te komen. Verzoeker was echter niet bereikbaar. Omdat verzoeker na de laatste waarschuwing niet alsnog contact heeft opgenomen met de ex-werkgever, heeft de ex-werkgever met onmiddellijke ingang de arbeidsovereenkomst beëindigd en verzoeker op staande voet ontslagen per 15 augustus 2025.
4. Op 13 november 2025 heeft de ex-werkgever het UWV verzocht om de Zw-uitkering van verzoeker met 100% te verlagen. Met het claimen van een Zw-uitkering na zijn ontslag op staande voet pleegt verzoeker volgens de ex-werkgever een benadelingshandeling zoals bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder j van de Zw. De ex-werkgever is eigenrisicodrager.
5. Met het bestreden besluit van 18 november 2025 heeft het UWV de Zw-uitkering over de periode 18 augustus 2025 tot en met 4 april 2026 geweigerd. Verzoeker is het niet eens met dit besluit. Verzoeker voert daartoe – samengevat – aan dat het ontslag op staande voet onrechtmatig is geweest, waardoor geen sprake is van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, onder j, van de Zw. Het UWV moet zelfstandig beoordelen of sprake is van een dringende reden voor ontslag. Verzoeker kan niet worden tegengeworpen dat hij niet bereikbaar was tijdens zijn ziekte. Er was sprake van een medische noodsituatie. Ook heeft het UWV de hoorplicht geschonden, is sprake van een belangenverstrengeling van de ex-werkgever en is de opgelegde maatregel disproportioneel.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
6.1.
Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft omdat hij niet beschikt over voldoende inkomsten om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook heeft verzoeker schulden, die met name uit zorgkosten bestaan. Verzoeker wenste in aanmerking te komen voor schuldhulpverlening, in welk kader hij was gaan werken bij de ex-werkgever. Verzoeker is nu gelet op zijn huidige situatie nog altijd in afwachting van een schuldhulptraject.
6.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit vaste rechtspraak volgt dat een financieel belang in beginsel onvoldoende is om een voorlopige voorziening te treffen. Dat is alleen anders als verzoeker aannemelijk kan maken dat sprake is van een financiële noodsituatie. [1] Dat is in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Zoals verzoeker ter zitting heeft toegelicht, woont hij in bij zijn moeder. De moeder van verzoeker leeft weliswaar van een bijstandsuitkering, en de voorzieningenrechter wil zonder meer aannemen dat verzoeker en zijn moeder het samen niet breed hebben, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dermate financiële noodsituatie dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij acht de voorzieningenrechter voorts van belang dat ter zitting is gebleken dat verzoeker inkomsten heeft uit studiefinanciering en uit – zoals het UWV ter zitting heeft toegelicht – (nabetalingen van eerdere) werkzaamheden of stagevergoedingen. Daarbij ontbreekt enig inzicht in de schulden. Ook maakt het feit dat vooralsnog niet op de bijstandsaanvraag van verzoeker is beslist onder deze omstandigheden niet dat sprake is van een spoedeisend belang in deze procedure.
6.3.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het UWV ingenomen standpunt juist is en of het besluit in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter vindt dat vooralsnog niet kan worden geoordeeld dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Verzoeker is op staande voet ontslagen door de ex-werkgever en niet in geschil is dat verzoeker niet tegen dit ontslag is opgekomen. Zoals het UWV op de zitting heeft toegelicht, vormt dat de reden dat aan verzoeker geen Zw-uitkering wordt uitbetaald. Door niet op te komen tegen het ontslag, heeft verzoeker namelijk een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Zw gepleegd [2] . Verzoeker heeft weliswaar ter zitting naar voren gebracht dat hij niet in staat was om tegen dit ontslag op te komen en hij er pas laat mee bekend raakte dat dit mogelijk was, maar vooralsnog is niet (met stukken) onderbouwd dat hij en/of zijn omgeving niet in staat waren om op te komen tegen zijn ontslag binnen de termijn van twee maanden. Zoals besproken op de zitting kan verzoeker dit in de bezwaarfase nader onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het UWV vooralsnog geen Zw-uitkering aan verzoeker hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:147 r.o. 4.3 en 4.4.
2.Zie ook artikel 45, zevende lid, van de Zw.