ECLI:NL:RBROT:2026:2909
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering Ziektewet-uitkering na ontslag op staande voet
Verzoeker was werkzaam bij een tankstation en meldde zich ziek op 7 juli 2025. Na meerdere waarschuwingen en het niet opnemen van contact werd hij op 15 augustus 2025 op staande voet ontslagen door zijn ex-werkgever. De ex-werkgever, als eigenrisicodrager, verzocht het UWV om de Ziektewet-uitkering van verzoeker met 100% te verlagen wegens een benadelingshandeling.
Het UWV besloot op 18 november 2025 de Ziektewet-uitkering over de periode van 18 augustus 2025 tot en met 4 april 2026 te weigeren. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat het ontslag onrechtmatig was, dat het UWV de hoorplicht had geschonden en dat de maatregel disproportioneel was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had, omdat hij bij zijn moeder woont die van een bijstandsuitkering leeft, hij inkomsten uit studiefinanciering en stagevergoedingen heeft, en er onvoldoende inzicht was in zijn schulden. Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, omdat verzoeker niet tijdig tegen het ontslag op staande voet is opgekomen, wat een benadelingshandeling vormt volgens artikel 45, eerste lid, onder j, van de Ziektewet.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af, waardoor het UWV voorlopig geen Ziektewet-uitkering hoeft te verstrekken. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.