Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2780

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714560 / KG ZA 26-130
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 Rome IIArt. 6 EVRMArt. 1:94 lid 5 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot staking buitenlandse procedure en executieverbod in kort geding

De man en vrouw zijn gescheiden en verdeeld over de opbrengst van een onroerend goed in Marokko. De vrouw is een procedure gestart in Marokko over deze opbrengst. De man vordert in kort geding dat de vrouw deze procedure staakt, de executie van een vonnis en een arrest in Marokko niet uitvoert, en dat zij een dwangsom en schadevergoeding betaalt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen een ernstige beperking van het recht op toegang tot de rechter van de vrouw betekenen en dat hiervoor strenge eisen gelden. De man slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de procedure van de vrouw evident kansloos is of dat sprake is van misbruik van procesrecht.

De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in Marokko de vordering van de vrouw heeft toegewezen en dat het hoger beroep nog loopt. De stellingen over onjuistheden in de Marokkaanse procedure kunnen niet worden getoetst in dit kort geding. De man heeft geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen. De vorderingen worden afgewezen en de man wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de man af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714560 / KG ZA 26-130
Vonnis in kort geding van 12 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. E.J. Coxon,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M.P. Harten.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 18 februari 2026, met zes bijlagen;
  • de mondelinge behandeling van 26 februari 2026;
  • de pleitnota van mr. M.P. Harten.

2.De zaak in het kort

2.1.
De man en de vrouw waren gehuwd en zijn in het voorjaar van 2019 gescheiden. De opbrengst van een onroerend goed in Tanger (Marokko) houdt partijen verdeeld. De man en de vrouw zijn in dat kader verwikkeld in een juridische procedure in Marokko. De man is van mening dat de vrouw door het starten (en voortzetten) van die procedure misbruik van (proces)recht maakt. Daarom vordert de man in dit kort geding – kort gezegd – dat de vrouw wordt bevolen om onder druk van een dwangsom de procedure in Marokko te staken en gestaakt te houden, een eerder door de rechtbank in Marokko gewezen vonnis en een nog te wijzen arrest door het Hof in Marokko niet te executeren, en dat de vrouw wordt veroordeeld om aan de man een schadevergoeding te betalen. De vrouw voert verweer.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te bevelen om de procedure in Marokko strekkende tot veroordeling van de man van een vergoeding ter hoogte van 702.000 MAD ter zake de opbrengst van een onroerende zaak te Tanger, waarbij de vrouw als eiseres en de man als gedaagde is verschenen, te staken en gestaakt te houden;
II. de vrouw te bevelen de executie van het door de rechtbank te Marokko afgegeven vonnis d.d. 18 februari 2025 in de zaak met kenmerk met kenmerk 2023/1404/74, alsmede het nog af te geven vonnis in verband met de door de vrouw in Marokko te staken en gestaakt te houden;
III. de vrouw te bevelen de executie van een nog door het gerechtshof te Marokko af te geven arrest in verband met het beroep tegen het vonnis d.d. 18 februari 2025 in de zaak met kenmerk met kenmerk 2023/1404/74, te staken en gestaakt te houden;
IV. te bepalen dat de vrouw een dwangsom aan de man verbeurt ter hoogte van € 75.000,00 indien zij in gebreke blijft aan het onder Sub I, II en III gevorderde te voldoen;
V. de vrouw te veroordelen tot betaling van een voorschot op de door de man geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 25.000,00;
VI. de vrouw te veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot en met de dag der algehele voldoening.
3.2.
De man legt – samengevat – het volgende aan deze vorderingen ten grondslag. De vrouw is in Marokko een procedure gestart, terwijl zij hoorde te weten dat haar vordering in die procedure evident kansloos is. Daarnaast heeft de vrouw de rechtbank in Marokko bewust onvolledig en onjuist geïnformeerd. Door desondanks de procedure in Marokko te starten en voort te zetten, en conservatoir beslag te leggen op een in eigendom aan de man toebehorende woning in Marokko, maakt de vrouw misbruik van (proces)recht en jaagt zij de man op kosten. Dit alles is onrechtmatig tegenover de man.
3.3.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure (met rente).

4.De beoordeling

Nederlands recht van toepassing
4.1.
In geschil is (de voortzetting van) een procedure in Marokko en de executie van een in Marokko gewezen vonnis met betrekking tot de opbrengst van de verkoop van een onroerende zaak in Marokko. De grondslag van de vorderingen van de man in deze zaak is onrechtmatige daad. Gelet daarop is op grond van artikel 4 lid 2 Rome Pro II in deze zaak Nederlands recht van toepassing. Zowel degene die volgens de man aansprakelijk is (de vrouw), als degene die schade lijdt (de man) hebben op het moment dat de schade zich voordoet immers hun gewone verblijfplaats in Nederland.
Het toetsingskader in een kort geding4.2. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
Vorderingen I tot en met III worden afgewezen
4.3.
De vorderingen onder I tot en met III komen er feitelijk op neer dat aan de vrouw een zogenoemde ‘anti-suit injunction’ en een executieverbod worden opgelegd. Deze vorderingen vormen bij toewijzing een vergaande beperking op de toegang tot de rechter van de vrouw. De Hoge Raad heeft voor dit soort vorderingen een toetsingskader met strenge eisen opgesteld. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure en het executeren van een uitspraak past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kunnen voorwaarden worden gesteld aan de toegang tot de rechter. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Van een evident ongegronde vordering kan pas sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [1]
4.4.
De stellingen van de man halen deze hoge lat niet. De stelling van de man dat de door de vrouw in Marokko gestarte procedure “evident kansloos” is, volgt de voorzieningenrechter op basis van de overgelegde stukken niet.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de rechtbank in Marokko de vordering van de vrouw heeft toegewezen. Dat is een sterke aanwijzing dat de vordering van de vrouw niet evident kansloos is. De man heeft weliswaar gesteld dat de vrouw de rechtbank in Marokko onjuist en/of onvolledig heeft voorgelicht, maar dat is door de vrouw betwist en de voorzieningenrechter kan de stellingen van partijen op dit punt op basis van de stukken die door partijen in het geding zijn gebracht niet op juistheid controleren. Verder heeft de vrouw haar standpunt dat haar vordering in Marokko terecht is toegewezen onderbouwd door te stellen dat sprake is geweest van “gesjoemel met een volmacht bij de verkoop van onroerend goed en het wegsluizen van de opbrengst van die verkoop in Marokko” door de man. Ook deze stelling, die door de man is betwist, valt op dit moment niet op juistheid te controleren door de voorzieningenrechter. Dat is voorbehouden aan het Hof in Marokko dat op het door de man ingestelde hoger beroep moet beslissen.
Als het Hof in Marokko de uitspraak van de rechtbank in Marokko bevestigt en vast komt te staan dat de man een door de vrouw verstrekte volmacht heeft misbruikt, dan valt niet op voorhand uit te sluiten dat de daaruit voortvloeiende vordering van de vrouw op de man in de zin van artikel 1:94 lid 5 BW Pro aan de vrouw is “verknocht”, zoals zij aanvoert. Dan zou die vordering buiten de huwelijksgemeenschap van partijen zijn gebleven, zodat een in het kader van de verdeling gegeven finale kwijting daar geen betrekking op heeft. Het standpunt van de man dat partijen alles onderling hebben verdeeld en elkaar finale kwijting hebben verleend, doet in dat geval niet ter zake.
4.5.
Tegen deze achtergrond kan niet zonder meer worden geoordeeld dat de vrouw in Marokko een evident kansloze vordering heeft ingesteld, zoals de man stelt. Dat de man tegen de uitspraak van de rechtbank in Marokko hoger beroep heeft ingesteld, maakt dat niet anders. Voor wat betreft de stelling van de man dat de rechtbank in Marokko door de vrouw bewust onvolledig en onjuist is geïnformeerd en dat de man zijn standpunt in de procedure bij de rechtbank in Marokko niet volledig heeft kunnen toelichten, geldt dat hij die kans wel heeft gehad bij het Hof in Marokko. De uitkomst van de procedure bij het Hof is op dit moment nog niet bekend. Als het Hof in Marokko, ook nadat de man zijn standpunt volledig heeft kunnen toelichten en onderbouwen, tot de conclusie komt dat de vordering van de vrouw toewijsbaar is, ziet de voorzieningenrechter al helemaal geen grond om in te grijpen door het treffen van een voorziening. De vrouw zal al om die reden niet worden bevolen om het vonnis van de rechtbank en het arrest van het Hof in Marokko niet ten uitvoer te leggen.
4.6.
Bij dit alles komt nog dat de voorzieningenrechter niet aannemelijk acht dat de man een spoedeisend belang bij zijn vorderingen I tot en met III heeft. In de eerste plaats klopt de door de man gestelde spoedeisendheid niet met zijn eigen (op de zitting geuite) verwachting dat de procedure in het hoger beroep in Marokko, waarvan de man verwacht dat die procedure op korte termijn tot een einde komt, positief voor hem zal uitpakken. Bovendien heeft de man weliswaar gesteld dat hij vreest dat de vrouw bij een voor de man negatieve uitkomst van het hoger beroep direct over zal gaan tot executie van het vonnis van de rechtbank, op een voor hem nadelige manier, maar die stelling is door de vrouw weersproken en door de man verder niet onderbouwd.
Vordering IV wordt ook afgewezen
4.7.
Omdat de vorderingen onder I tot en met III worden afgewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de in vordering IV gevorderde dwangsom. Die vordering wordt daarom ook afgewezen.
Vordering V is niet toewijsbaar
4.8.
De man vordert tot slot onder V een voorschot van de vrouw van € 25.000,00 voor door de man geleden en nog te lijden schade. Nog daargelaten dat uit de afwijzing van vorderingen I tot en met III voortvloeit dat vordering V ook wordt afgewezen, heeft de man de gestelde schade niet onderbouwd en ook niet uitgelegd waarom hij een spoedeisend belang heeft bij betaling van een voorschot op die gestelde schade. Vordering V wordt dan ook afgewezen.
De man wordt veroordeeld in de proceskosten
4.9.
Het uitgangspunt in zaken tussen (ex-)echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dan moet iedere partij de eigen proceskosten betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak echter aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Het had voor de man duidelijk moeten zijn dat zijn in dit kort geding ingestelde vorderingen tegen de vrouw bij lange na niet voldoen aan de hoge eisen die door de Hoge Raad aan zulke vorderingen worden gesteld (zie overweging 4.3). Daarbij is een gegeven dat voor bewijsvoering in kort geding anders door de overlegging van stukken nauwelijks plaats is.
Hierdoor heeft de vrouw nodeloos kosten moeten maken. Om die reden wordt de man veroordeeld in de proceskosten (op grond van het liquidatietarief).
De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.707,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de man niet tijdig hieraan voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt de man in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
4041/1694

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1.