ECLI:NL:RBROT:2026:2483

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
ROT 24/1216
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 AwirArt. 2.1 WhtArt. 2.2 WhtArt. 2.3 WhtArt. 2.6 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag jaren 2007, 2008 en 2012-2016 bevestigd

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2012 tot en met 2016 werd afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 behandeld en beoordeelt of de afwijzing terecht is.

De rechtbank overweegt dat de compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) alleen wordt toegekend bij institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard door de Dienst Toeslagen. Voor de jaren 2007, 2008 en 2012-2016 is vastgesteld dat er geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. De berekening van de kinderopvangtoeslag en de verrekeningen zijn volgens de rechtbank correct en zorgvuldig gemotiveerd.

Verder wijst de rechtbank de bezwaren van eiseres af over het ontbreken van informatie, de stopzetting van de toeslag en de vermeende onjuiste O/GS-kwalificatie. Wel wordt vastgesteld dat de proceskostenvergoeding in bezwaar onjuist is berekend, maar dit leidt niet tot nadeel voor eiseres. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten in hoger beroep.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarmee de afwijzing van compensatie voor de genoemde jaren wordt bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2012-2016 bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Alblasserdam, eiseres

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Grondman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2012 tot en met 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2012 tot en met 2016 terecht heeft afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Procesverloop

2. Met het besluit van 11 juni 2021 met kenmerk UHT-DC-I (het primaire besluit I) heeft de Dienst Toeslagen een compensatie aan eiseres toegekend van € 40.197,- voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011.
2.1.
Met het besluit van 15 juni 2021 met kenmerk UHT-DC-I A (het primaire besluit II) heeft de Dienst Toeslagen geoordeeld dat aan eiseres geen compensatie wordt toegekend over de toeslagjaren 2007, 2008 en 2012 tot en met 2016.
2.2.
Met het besluit van 4 januari 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de Dienst Toeslagen gedeeltelijk aan het bezwaar tegen het primaire besluit I tegemoetgekomen. Het compensatiebedrag is daarbij gewijzigd vastgesteld op € 46.806,-. De Dienst Toeslagen is niet tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit II.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft op 10 februari 2010 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Met het primaire besluit I heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011. Het compensatiebedrag is vastgesteld op € 40.197,-. Met het primaire besluit II heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie over de jaren 2007, 2008 en 2012 tot en met 2016. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen gedeeltelijk aan het bezwaar tegen het primaire besluit I tegemoetgekomen. Het compensatiebedrag is daarbij gewijzigd vastgesteld op € 46.806,-. De Dienst Toeslagen is niet tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II en heeft geoordeeld dat er niet meer jaren voor compensatie in aanmerking komen.
3.1.
Aan het bestreden besluit ligt een advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen (BAC) ten grondslag. In dit advies is toegelicht dat de toeslagrente over de gemiste kinderopvangtoeslag over 2010 en 2011 te laag werd vastgesteld. De rente over 2010 moet € 9.280,- bedragen (in plaats van € 6.611,-). De rente over 2011 moet € 5.360,- bedragen (in plaats van € 3.986,-). In dit advies is verder toegelicht dat voor de jaren 2007 en 2008 geen sprake is geweest van een bijstelling en/of uitvraagbrieven. Over de jaren 2012 tot en met 2016 is sprake geweest van reguliere wijzigingen en daarmee niet van vooringenomenheid door de Dienst Toeslagen of sprake van hardheid van het stelsel.

Standpunt eiseres

4. In beroep voert eiseres aan dat de Dienst Toeslagen ten aanzien van de jaren waarvoor de compensatie is afgewezen onvoldoende informatie heeft verstrekt. Zij kan daardoor de juistheid van de hoogte van de kinderopvangtoeslag niet toetsen. Voor de jaren 2007 en 2008 heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld. De definitieve beschikkingen over deze jaren zijn volgens eiseres in strijd met artikel 19 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Ten aanzien van het jaar 2012 voert eiseres aan dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag niet juist is berekend en dat er ten onrechte is verrekend met terugvorderingen en voorzieningen van andere jaren. Voor het jaar 2016 stelt eiseres dat de Dienst Toeslagen niet deugdelijk is ingegaan op de vragen over de stopzetting. Het is daarom niet duidelijk wie de stopzetting van de kinderopvangtoeslag heeft doorgegeven. Verder ontbreken er stukken in het dossier en heeft eiseres het ouderdossier/persoonlijk dossier nog niet ontvangen. Hierdoor kan zij niet vaststellen of alle jaren waarin kinderopvangtoeslag is aangevraagd zijn meegenomen in de beoordeling. Eiseres verzoekt de Dienst Toeslagen om de opname in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV) nader te onderzoek. Naar mening van eiseres heeft de Dienst Toeslagen tevens geen onderbouwing gegeven dat er geen sprake is geweest van een opzet/grove schuld (O/GS)-kwalificatie.

Toetsingskader

5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen de compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2012 tot en met 2016 terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Afwijzing compensatie en de hoogte van de kinderopvangtoeslag
6.1.
Eiseres voert in beroep aan dat de Dienst Toeslagen voor de jaren dat de compensatie is afgewezen onvoldoende informatie heeft verstrekt. Zij kan daarom de juistheid van de hoogte van de kinderopvangtoeslag zelf over de desbetreffende jaren niet toetsen. Mogelijk is, aldus eiseres, de kinderopvangtoeslag destijds te laag vastgesteld.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank stelt voorop dat de vaststelling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag in een bepaald jaar op zichzelf buiten de reikwijdte van de compensatieberekening in het kader van de integrale beoordeling valt. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om fouten die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt te herstellen. [1] De Wht ziet op het verlenen van compensatie voor ouders die schade hebben geleden:
- als gevolg van institutionele vooringenomenheid [2] van de Dienst Toeslagen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor 23 oktober 2019; of
- als gevolg van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing van het toepasselijke wettelijke systeem voor 23 oktober 2019.
In deze procedure ligt de zogenaamde integrale beoordeling voor. In dit traject wordt, indien de ouder hiervoor in aanmerking komt, voor een limitatief aantal vastgestelde schadeposten (waaronder begrepen de veronderstelde materiele en immateriële schade) een forfaitaire compensatie toegekend. [3] Bij de berekening van de compensatie in het kader van de integrale beoordeling is de vraag of eiseres destijds eventueel meer kinderopvangtoeslag toegekend had moeten krijgen niet relevant.
6.3.
Verder overweegt de rechtbank dat in het verslag van de hoorzitting en in het advies van de BAC per toeslagjaar is gemotiveerd waarom er geen sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. De neerwaartse correcties in deze jaren waren het gevolg van het verwerken van wijzigingen die zich na de vaststelling van de voorschotten voordeden, zoals verlagingen van het aantal opvanguren, het stopzetten van de kinderopvangtoeslag en/of een hoger toetsingsinkomen. Uit het advies van de BAC van 14 december 2023 is gebleken dat de situatie van eiseres zeer zorgvuldig en op onafhankelijke wijze is beoordeeld en dat de forfaitaire compensatie conform de wettelijke systematiek van de Wht is berekend. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen daarmee deugdelijk gemotiveerd heeft waarom over de betreffende jaren geen recht op compensatie bestaat.
Toeslagjaren 2007 en 2008
6.5.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2007 moest eiseres een bedrag van € 160,- terugbetalen, vanwege de toename van het gezamenlijk toetsingsinkomen. Voor wat betreft het toeslagjaar 2008 hoefde eiseres geen bedrag terug te betalen. Het voorschot van de kinderopvangtoeslag is herzien vanwege een toename en hierna een afname van het gezamenlijk toetsingsinkomen. Het gaat om reguliere wijzigingen en er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
Strijd met artikel 19 Awir Pro
6.6.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de definitieve beschikkingen over de jaren 2007 en 2008 in strijd zijn met artikel 19 Awir Pro en daarmee onrechtmatig zijn vastgesteld, slaagt deze beroepsgrond niet.
6.7.
In artikel 19, eerste lid, van de Awir is een termijn neergelegd van zes maanden nadat de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld waarbinnen de Dienst Toeslagen een toeslag moet vaststellen. Zoals de ABRvS eerder heeft overwogen is de in artikel 19, eerste lid, van de Awir genoemde termijn een termijn van orde en heeft overschrijding van deze termijn niet tot gevolg dat de Dienst Toeslagen niet langer bevoegd is om een toeslag vast te stellen of dat de Dienst de toeslag op het bedrag van het voorschot moet vaststellen. [4] Bovendien heeft de ABRvS geoordeeld dat het enkele feit dat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn is geschonden, niet betekent dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [5] Nu de Dienst Toeslagen bevoegd was om het recht op kinderopvangtoeslag te herzien, ook na het verstrijken van de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn, is geen sprake van vooringenomen handelen. Of de Dienst Toeslagen de termijn daadwerkelijk heeft overschreden is voor de beoordeling niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.
Toeslagjaar 2012
6.10.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 moest eiseres een bedrag van € 1.223,- terugbetalen. De neerwaartse correctie is het gevolg geweest van het feit dat het aantal daadwerkelijk afgenomen opvanguren is gedaald en het toetsingsinkomen is gestegen.
6.11.
Eiseres voert aan dat in het toeslagjaar 2012 ten onrechte is verrekend door de Dienst Toeslagen. Uit het systeem van de Wht en uit de wetsgeschiedenis volgt dat het compensatiebedrag, waarvan de hoogte dwingendrechtelijk en forfaitair wordt bepaald op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht, ook geacht moet worden betrekking te hebben op eventuele schade door verrekening van toeslagschulden in latere toeslagjaren. Het enkele feit dat in een bepaald toeslagjaar verrekening is toegepast, kan naar oordeel van de rechtbank, niet tot compensatie voor dat toeslagjaar leiden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Toeslagjaar 2016
6.12.
Voor wat betreft het toeslagjaar 2016 hoefde eiseres geen bedrag terug te betalen. Ook voor dit jaar is geen sprake van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
6.13.
De rechtbank kan de beroepsgrond van eiseres dat niet duidelijk is wie de stopzetting van de kinderopvangtoeslag heeft doorgegeven, niet volgen. De kinderopvangtoeslag is op 23 februari 2016 stopgezet met ingang van 1 maart 2016. Uit het dossier volgt dat eiseres de kinderopvangtoeslag op 23 februari 2016 zelf via elektronische weg heeft stopgezet. Hierbij is door de Dienst Toeslagen op zitting nader toegelicht dat uit de brontypen van de aanvraag en de stopzetting afgeleid kan worden dat eiseres zelf de stopzetting heeft gedaan. Daarnaast kan uit de KOI-viewer worden afgeleid dat tot 1 maart 2016 kinderopvang is genoten. Na 1 maart 2016 is geen kinderopvangtoeslag meer aangevraagd. Er was geen reden tot nader onderzoek naar de stopzetting van de kinderopvangtoeslag.
Verzoek om persoonlijk dossier/ouderdossier
6.14.
Deze procedure gaat over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Het verzoek van eiseres om verstrekking van het persoonlijk dossier of het ouderdossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de rechtbank alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.
6.15.
Verder geldt nog het volgende. Uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan in beginsel de op een zaak betrekking hebbende stukken in het geding moet brengen. De Dienst Toeslagen heeft de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in het geding gebracht. De rechtbank ziet gaan aanknopingspunten voor de conclusie dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe de Dienst Toeslagen tot het bestreden besluit is gekomen.
Onderzoek naar FSV opname
6.16.
Voor wat betreft de opname in de FSV heeft naar het oordeel van de rechtbank de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding hoeven zien om aan te nemen dat eiseres op een dergelijke lijst was opgenomen. Uit de verschillende informatievergaringskaders over de toeslagjaren 2007 tot en met 2016 volgt uit het onderdeel ‘zero-tolerance-onderzoek’ (punt 5 van het informatievergaringskader) dat daar geen opmerkingen zijn opgenomen over een signalering in de FSV. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat eiseres opgenomen was in de FSV. De rechtbank overweegt hierbij dat het voor de compensatietoekenning bij de integrale beoordeling niet van belang is of eiseres geregistreerd stond in de FSV. Mogelijk kan dit wel een rol spelen bij de beoordeling van de werkelijke schade, maar dat ligt niet in deze procedure voor.
O/GS-kwalificatie
6.17.
De beroepsgrond van eiseres dat er geen onderbouwing is gegeven dat er geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie, slaagt niet. Uit het advies van de BAC volgt dat geen sprake is van hardheid of een onterechte kwalificatie O/GS. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de ABRvS van 22 oktober 2025 waaruit volgt dat het voldoende is dat de Dienst Toeslagen een toelichting geeft op de O/GS-kwalificatie. [6]
6.18.
Uit het bovenstaande volgt dat de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat er geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in de jaren 2007, 2008 en 2012 tot en met 2016. Het verzoek om compensatie voor die jaren is, naar oordeel van de rechtbank, dan ook terecht afgewezen.
Kosten in bezwaar
6.19.
Met betrekking tot de berekening van de kosten in bezwaar is geconstateerd dat deze in het bestreden besluit onjuist zijn berekend. De BAC heeft geadviseerd de proceskosten voor de bezwaarprocedure toe te kennen voor drie hoorzittingen, zijnde twee procespunten met wegingsfactor 2. In het bestreden besluit is de proceskostenvergoeding berekend op basis van het indienen van een bezwaarschrift, het bijwonen van de hoorzitting en het bijwonen van de nadere hoorzitting. De berekening van de proceskostenvergoeding is zoals door de Dienst Toeslagen zelf geconstateerd, niet juist. Er heeft namelijk een tweede nadere hoorzitting plaatsgevonden, waaraan de gemachtigde en de ouder hebben deelgenomen. Deze nadere hoorzitting is ten onrechte niet in de berekening betrokken. Dit had echter niet tot een hogere veroordeling van de kosten in bezwaar geleid. Het bezwaarschrift tegen het primaire besluit is namelijk door de ouder zelf ingediend, zonder bijstand van een professionele rechtshulpverlener. Daarom is er voor het indienen van een bezwaarschrift ten onrechte een punt toegekend. De juiste berekening van de kosten in bezwaar is, zoals terecht door de Dienst Toeslagen berekend, de volgende: 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting 22 februari 2023, 0,5 punt voor het bijwonen nadere hoorzitting 6 september 2023 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere hoorzitting 8 november 2023. Hiermee komt het totaal aantal punten op 2 (a € 837,- per punt) € 3.348,- moeten zijn. Aan eiseres is een bedrag van € 4.185,- toegekend. De beroepsgrond slaagt in zoverre. Omdat eiseres geen nadeel heeft geleden zal de rechtbank dit gebrek passeren met artikel 6:22, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor het onder 6.19 geconstateerde gebrek en als gevolg van de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat de Dienst Toslagen het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt. Verder veroordeelt de rechtbank de Dienst Toeslagen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen aan eiseres het betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
- veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot betaling van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Met ingang van 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) van kracht. De compensatieregelingen zijn met ingang van die datum ondergebracht in de Wht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht. Daarom beoordeelt de rechtbank het beroep met toepassing van de Wht.
Artikel 2.1. van de Wht, voor zover hier van belang, luidt:
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500.- aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500,- is verlaagd.
Artikel 2.2. van de Wht, voor zover hier van belang, luidt:
De compensatie bestaat uit:
a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
Artikel 2.6. van de Wht, voor zover hier van belang luidt:
1. De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5610.
2.In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 70-71) is een niet-limitatieve opsomming van kenmerken genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid. Vergelijk ook de uitspraak van de ABRvS van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.
3.Zie artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1806 en van
5.Zie de uitspraak van de ABRvS van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380.
6.Zie de uitspraak van de ABRvS van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5087.