AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Echtscheiding met partneralimentatie en verdeling beperkte gemeenschap van goederen inclusief woning
De rechtbank Rotterdam heeft op 10 februari 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die gehuwd waren te [plaatsnaam] op [datum]. Partijen zijn het eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man krijgt het recht om de woning gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking te blijven gebruiken.
De vrouw ontvangt partneralimentatie van € 1.222,- bruto per maand, gebaseerd op een berekening van haar behoefte volgens de hofnorm en de draagkracht van de man. De rechtbank heeft de inkomens en draagkracht van partijen nauwkeurig beoordeeld, waarbij ook de mogelijkheid van de vrouw om meer uren te werken is meegewogen.
Ten aanzien van het huwelijksvermogensregime is vastgesteld dat er geen rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden zijn, waardoor de beperkte gemeenschap van goederen van toepassing is. De rechtbank heeft de verdeling van de gemeenschap gelast, waarbij de woning wordt getaxeerd en de man vier maanden krijgt om de financiering rond te krijgen. Indien dit niet lukt, wordt de woning verkocht aan derden. Vergoedingsrechten van partijen worden in mindering gebracht op de overwaarde volgens de beleggingsleer.
De man verzocht geen pensioenverevening toe te passen, maar dit verzoek is afgewezen omdat geen rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden zijn gesloten die dit uitsluiten. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.
Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie toegekend, voortgezet gebruik woning geregeld en beperkte gemeenschap van goederen verdeeld met vergoedingsrechten.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummers: C/10/697568 / FA RK 25-2757 en C/10/703763 / FA RK 25-5612
Beschikking van 10 februari 2026 over de echtscheiding en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.H. Silfhout te Dordrecht,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.J.S. Linssen te Waardenburg.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 7 april 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op
27 mei 2025;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 juli 2025;
het verdelen en verrekenen formulier van de vrouw van 4 november 2025;
het verdelen en verrekenen formulier van de man van 6 november 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 25 november 2025;
het bericht met bijlagen van de man van 27 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
9 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.
1.4.
Na de mondelinge behandeling is op verzoek van de rechtbank door de man nog zijn salarisspecificatie van december 2025 toegestuurd. Deze is ontvangen bij bericht van
8 januari 2025.
2.De beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] .
2.2.
Scheiding
2.2.1.
Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.2.2.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.3.
Voortgezet gebruik woning
2.3.1.
De man verzoekt het voortgezet gebruik van de woning op het adres [adres]
(hierna: de woning) voor de duur van zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.3.3.
De rechtbank moet de belangen van partijen afwegen bij het voortgezet gebruik van de woning door de man. De rechtbank is van oordeel dat de man een groter belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden dan de vrouw bij een eventuele levering van de woning voor die tijd aan een derde. Gebleken is dat de vrouw over andere woonruimte beschikt en dat de man sinds het vertrek van de vrouw uit de woning in januari 2025 alle lasten van de woning voldoet. De man is ook voornemens om de woning over te nemen. Na ontvangst van deze beschikking moet de man in de gelegenheid worden gesteld om te onderzoeken of hij de woning over kan nemen.
Als dat dit niet mogelijk is, dan vindt de rechtbank het redelijk dat hij de resterende tijd kan benutten om andere woonruimte te zoeken. Het verzoek van de man zal daarom worden toegewezen.
2.4.
Onderhoudsbijdrage
2.4.1.
De vrouw verzoekt met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.222,- bruto per maand vast te stellen.
2.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
Behoefte
2.4.3.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
2.4.4.
Partijen zijn het met elkaar eens dat zij tot en met 2024 samen hebben gewoond en dat gerekend moet worden met de inkomensgegevens uit 2024.
2.4.5.
Uit de jaaropgave 2024 van de man blijkt dat hij een inkomen heeft genoten van € 92.488,-. De man stelt dat dit jaarinkomen niet representatief is voor de berekening van zijn NBI, omdat in dit jaarinkomen diverse eenmalige uitkeringen zijn inbegrepen van in totaal € 10.463,35. De man stelt in zijn als productie 20 overgelegde behoefteberekening zijn gecorrigeerde inkomen op € 82.025,- per jaar. Op dit gecorrigeerde inkomen brengt de man pensioenpremies en de premie arbeidsongeschiktheid in mindering. De man komt vervolgens uit op een inkomen van € 72.173,- per jaar. De vrouw voert verweer.
2.4.6.
De rechtbank is van oordeel dat de berekening van de man een dubbeltelling oplevert ten aanzien van de in mindering gebrachte pensioenpremies en premie arbeidsongeschiktheid. Op het inkomen van de man van € 92.488,- zoals vermeld op zijn jaaropgave 2024 zijn de pensioenpremies en de premie arbeidsongeschiktheid al in mindering gebracht. Wanneer deze premies nogmaals op het door de man gecorrigeerde inkomen van € 82.025,- per jaar in mindering wordt gebracht, wordt twee keer een correctie toegepast ten aanzien van deze premies. Dit is niet juist. De rechtbank zal daarom uitgaan van het door de vrouw gestelde inkomen van de man van € 80.000,- per jaar en een NBI van € 4.399,- per maand.
2.4.7.
Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de vrouw in het jaar 2024 € 3.056,-bedroeg.
2.4.8.
Aan de hand van deze gegevens becijfert de rechtbank het in dit kader relevante netto besteedbaar gezinsinkomen op (€ 4.399,- + € 3.056,- =) € 7.455,- per maand; 60% daarvan bedraagt afgerond € 4.473,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 4.983,- netto per maand. Op deze behoefte van de vrouw moet haar inkomen in mindering worden gebracht zodat haar aanvullende behoefte wordt berekend.
Behoeftigheid
2.4.9.
De man voert aan dat de vrouw in eigen levensonderhoud kan voorzien door 40 uur per week te gaan werken in plaats van 32 uur per week.
2.4.10.
De vrouw betwist dit.
2.4.11.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het voor haar onmogelijk is om 40 uur per week te werken. De enkele stelling van de vrouw dat zij, gelet op haar leeftijd (58 jaar), de zwaarte van het werk in de zorg en de klachten die zij overgehouden heeft aan haar val in 2024 niet in staat is om fulltime te werken, is daarvoor onvoldoende. In het door de vrouw overgelegde bericht van de bedrijfsarts uit oktober 2024 staat dat de verwachting is dat zij binnen 8-10 weken volledig hersteld zal zijn (productie 9) en tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw ook zelf aangegeven dat ze inmiddels weer haar volledige uren werkt. Het had op haar weg gelegen om stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat haar huidige fysieke gesteldheid een 40-urige werkweek in de zorg niet toelaat.
Om te kunnen beoordelen of de vrouw zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien, zal de rechtbank berekenen wat haar inkomen zou zijn op basis van een 40-urige werkweek.
2.4.12.
Gebleken is dat de vrouw 16 uur per week werkzaam is bij [naam kliniek] en 16 uur per week werkzaam is bij het [naam ziekenhuis].
Uit de door de vrouw als productie 28 overlegde salarisspecificatie blijkt dat zij bij [naam kliniek] werkzaam is in schaal 50 en trede 13. Haar basissalaris bedraagt € 5.237,- bruto per maand, te vermeerderen met 8,33% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering. Anders dan de man stelt zal de rechtbank het basissalaris niet verhogen met een percentage omdat de verhoging van 2% al in het basissalaris is inbegrepen (zie productie 22).
Op basis van een 40-urige werkweek komt haar salaris uit op een (afgerond) bedrag van
€ 73.314,- (€ 62.844,- + € 5.235,- + € 5.235,-). Als vervolgens uitgegaan wordt van 20 uur per week – de vrouw werkt immers de helft van de tijd bij deze kliniek – komt het salaris bij [naam kliniek] uit op een bedrag van € 36.657,- per jaar.
Uit de door de vrouw als productie 29 overgelegde salarisspecificatie blijkt dat zij bij het [naam ziekenhuis] werkzaam is in schaal 50 en trede 12. Het basissalaris van de vrouw bedraagt € 4.723,- bruto per maand, te vermeerderen met 8,33% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering. Op basis van een 40-urige werkweek komt haar salaris uit op een (afgerond) bedrag van € 66.120,- (€ 56.676,- + € 4.722,- + € 4.722,-). Op basis van een arbeidsmodaliteit van 20 uur per week komt het salaris bij het [naam ziekenhuis] uit op een bedrag van € 33.060,- per jaar.
Concluderend kan de vrouw op basis van een 20-urige werkweek bij Bergman Clinics Zorg en een 20-urige werkweek bij het [naam ziekenhuis] een salaris verdienen van € 69.717,- (€ 36.657,- + € 33.060,-).
2.4.13.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de vrouw op basis van een 40-urige werkweek op € 3.790,- per maand. Anders dan de man in zijn als productie 22a overgelegde berekening heeft gedaan, zal de rechtbank het berekende salaris van € 69.717,- per jaar niet invullen bij post 60 (loon volgens jaaropgaaf) van de berekening maar bij post 41 (bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking). Het berekende salaris is namelijk niet het loon volgens de jaaropgave, maar het loon op basis van de salarisspecificatie. Op dit inkomen moeten de maandelijkse pensioenpremies nog in mindering worden gebracht. Uit productie 28 en 29 blijkt dat [naam kliniek] een bedrag van in totaal € 238,- per maand inhoudt als pensioenpremie en het Albert Schwitzer Ziekenhuis € 224,- per maand. Omgerekend naar een 40-urige werkweek komt dit neer op een bedrag van € 577,- per maand (€ 238 + 224 = 462 : 32 x 40). Rekening is gehouden met voornoemde maandelijkse pensioenpremie.
De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.
2.4.14.
Op de behoefte van de vrouw van € 4.983,- netto per maand wordt haar NBI van € 3.790,- per maand in mindering gebracht. Dit levert een aanvullende behoefte op van € 1.193,- netto per maand ofwel € 2.299,- bruto per maand.
Draagkrachtberekening
2.4.15.
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport. De tarieven 2026-1 worden gehanteerd.
2.4.16.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2025 op € 4.872,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de cumulatieve zoals vermeld op de salarisspecificatie van december 2025):
- loon voor loonheffing van € 90.340,- per jaar;
Anders dan de man stelt, is de rechtbank niet gebleken dat zijn loonstroken een vertekend beeld geven van zijn loon gelet op de uitbetalingen die in 2025 plaats hebben gevonden in het kader van het individueel keuzebudget (hierna: IKB). Ook is niet gebleken dat een dubbeltelling van de correctie van de invoering van het IKB van het jaar 2024 is inbegrepen in het loon van het jaar 2025. Het IKB geeft een werknemer de mogelijkheid om naar eigen keuze een deel van het maandinkomen te laten uitbetalen op een door de werknemer gewenst tijdstip of tijdstippen. Dat de man ervoor heeft gekozen om zijn IKB maandelijks uit te laten betalen in plaats van één of twee keer per jaar maakt dit niet anders, omdat de man uiteindelijk hetzelfde bedrag ontvangt.
Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
2.4.17.
De draagkracht van de man wordt, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.227,- per maand.
Aan de stelling van de man dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten door in de formule een last op te nemen van € 2.059,- per maand in plaats van de forfaitaire woonlast (30% van het NBI) wordt voorbijgegaan. Gebleken is dat het door de man gestelde bedrag van € 2.059,- per maand een bruto woonlast is. Het komt voor rekening en risico van de man dat hij ervoor kiest om zijn hypotheekrenteaftrek niet maandelijks uit te laten betalen. Als op de bruto woonlast het maandelijkse bedrag aan hypotheekrenteaftrek in mindering wordt gebracht, dan is de netto woonlast gelijk of iets hoger dan het woonbudget. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de netto werkelijke woonlast van de man duurzaam aanmerkelijk hoger is dan het (netto) woonbudget.
Aan de stelling van de man om voornoemde formule te verhogen met kosten van rechtsbijstand voor een bedrag van € 1.000,- per maand wordt ook voorbijgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank lag het gelet op de betwisting door de vrouw op de weg van de man om zijn stelling te onderbouwen dat hij maandelijks € 1.000,- voldoet aan kosten van rechtsbijstand.
Conclusie
2.4.18.
Gelet op de draagkracht van de man van € 1.227,- netto per maand, kan het door de vrouw verzochte bedrag van € 1.222,- bruto per maand worden toegewezen.
2.4.19.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
2.5.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
2.5.1.
De vrouw verzoekt:
1. de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen en te bepalen dat de woning zo spoedig mogelijk wordt verkocht aan derden met veroordeling van de man zijn medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning aan derden, waarbij een door LANA makelaars & taxateurs te hanteren vraag-
en laatprijs wordt gehanteerd;
2. de man te veroordelen om binnen één week na een daartoe strekkend verzoek van deze makelaar zijn medewerking te verlenen aan het maken van foto’s van het in- en exterieur van de woning;
3. de man te veroordelen om binnen één week na een daartoe strekkend verzoek van voornoemde makelaar zijn medewerking te verlenen aan het toelaten van de makelaar en potentiële koper die samen met de makelaar de woning willen bezichtigingen;
4. de man te verbieden aanwezig te zijn bij bezoeken aan de woning van de makelaar met geïnteresseerde kopers;
5. te bepalen dat de man de woning en tuin schoon en opgeruimd moet houden;
6. te bepalen dat als een boven de door voornoemde makelaar bepaalde minimum verkoopprijs gelegen bod wordt gedaan en de makelaar adviseert dat bod te accepteren, deze beschikking de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de acceptatie zal vervangen wanneer de man niet binnen de door de makelaar gestelde termijn positief bericht of niet verschijnt om zijn handtekening te plaatsen;
7. te bepalen dat deze beschikking in de plaats komt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man bij het na verkoop van de woning voor minimaal de door voornoemde makelaar te bepalen minimale verkoopprijs, via de notaris overdragen van de eigendom van de woning wanneer de man op het door de notaris te bepalen tijdstip niet verschijnt of verschenen zijnde niet tot ondertekening van de leveringsakte overgaat;
8. te bepalen dat bij levering van de woning aan derde(n) eerst de hypothecaire geldlening zal worden afgelost, de kosten van de makelaar en notaris zullen worden voldaan, waarna de resterende verkoopopbrengst bij helfte dient te worden gedeeld tussen partijen. Bij een verdeling anders dan bij helfte, dient rekening te worden gehouden met een vergoedingsrecht aan de zijde van de vrouw van € 154.000,-.
2.5.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt verzoeken 1. tot en met 8. van de vrouw af te wijzen. Bij zelfstandig verzoek verzoekt hij:
Primair:
- primair te verklaren voor recht dat de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning niet op grond van de wet of de jurisprudentie moet plaatsvinden, maar op grond van de concept akte van verdeling en te bepalen dat de man eigenaar van de woning is voor 72,2 % en de vrouw voor 27,8 % of in de verhouding voor de man 68,5 % en de vrouw voor 31,5% eigenaar is van de woning;
- subsidiair de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen vast te stellen of de wijze van verdeling te bepalen en te bepalen dat de waarde van de woning voor 72,2 % aan de man toekomst en voor 27,8 % aan de vrouw of in de verhouding 68,5 % aan de man toekomt en voor 31,5 % aan de vrouw;
- meer subsidiair de woning aan de man toe te delen voor de waarde van € 1.100.000,- waarbij de man aan de vrouw moet betalen 27,8 % minus de helft van de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening.
Subsidiair:
primair te verklaren voor recht dat de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2025 ECLI:NL:HR:2025:436 moet plaatsvinden en wel zodanig dat de waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening met inachtneming van de beleggingsleer wordt verdeeld met inachtneming van de vordering die de man heeft op de vrouw van € 356.500,- en de vrouw heeft een vordering op de man van € 137.500,-;
subsidiair de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen vast te stellen of de wijze van verdeling te bepalen en te bepalen dat de waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening bij helfte wordt verdeeld met inachtneming van de vordering die de man op de vrouw heeft van € 356.500,- en de vordering die de vrouw op de man heeft van € 137.500,-.
2.5.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen.
Rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden?
2.5.4.
Partijen verschillen van mening of er rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden tussen hen tot stand zijn gekomen. De man stelt dat dit het geval is. De vrouw voert verweer.
2.5.5.
Uit artikel 1:115 BWPro volgt dat huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid bij notariële akte moeten worden aangegaan. De notariële tussenkomst strekt mede tot bescherming van de partijen bij de op te stellen akte van huwelijkse voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat de door de man gestelde akte van huwelijkse voorwaarden niet tot stand zijn gekomen met inachtneming van de dwingendrechtelijke vormvoorschriften van artikel 1:115 BWPro, omdat de akte niet is gepasseerd (ondertekend) bij de notaris. Hierdoor is geen sprake van rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden. Voor zover de verzoeken van de man op deze stelling gebaseerd zijn, worden deze verzoeken afgewezen.
2.5.6.
Omdat er geen rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden zijn opgesteld, wordt teruggevallen op de algemene wettelijke regeling. Voor partijen betekent dit dat zij in een beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De rechtbank zal hierna de verzoeken van partijen tot verdeling van die huwelijksgemeenschap beoordelen.
Verdeling beperkte gemeenschap van goederen
2.5.7.
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BWPro.
2.5.8.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de
andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BWPro). Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BWPro).
Wettelijke peildatum
2.5.9.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhefPro en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 7 april 2025.
waardering algemeen
2.5.10.
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel. In beginsel is dat de datum van de rechtelijke uitspraak, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
De woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening
2.5.11.
Partijen zijn het erover eens dat de man een termijn geboden krijgt om te onderzoeken en te bewerkstelligen dat hij de financiering van de woning op zijn naam kan stellen, zodanig dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Zij zijn het niet eens over de termijn die hiervoor aan de man geboden moet worden. De rechtbank is van oordeel dat de man vier maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de tijd krijgt om de financiering rond te krijgen. Mocht na vier maanden blijken dat de man niet in staat is om de woning over te nemen, dan moet de woning in de verkoop worden aangeboden.
2.5.12.
Om te kunnen onderzoeken of de man de woning over kan nemen, moet eerst de waarde van de woning bepaald worden. De man stelt de waarde van de woning op € 1.100.000,-. De rechtbank is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw van oordeel dat niet is gebleken dat de waarde van de woning op het moment van de feitelijke verdeling, te weten de datum van deze beschikking, een waarde vertegenwoordigt van € 1.100.000.-. Partijen zijn het erover eens dat, als de rechtbank tot het oordeel komt dat de woning getaxeerd moet worden, de taxatie plaats zal vinden door makelaar LANA makelaars & taxateurs.
2.5.13.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, zal de rechtbank in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen met betrekking tot de taxatie en de toedeling van de woning aan de man of de verkoop van de woning aan een derde.
Op welke wijze rekening gehouden moet worden met de door partijen gestelde vergoedingsrechten bij de verdeling van de overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning aan de man of aan een derde minus de kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning) van de woning, wordt hierna beoordeeld. Het meer of anders door de vrouw verzochte, zoals hiervoor vermeld in r.o. 2.5.1. dat afwijkt van het spoorboekje, zal worden afgewezen.
Vergoedingsrechten
2.5.14.
De man stelt dat de rechtbank de hoogte van de vorderingsrechten (hierna door de rechtbank te noemen: vergoedingsrechten) niet hoeft te berekenen. De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft op de beperkte gemeenschap van € 356.500,- en de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de beperkte gemeenschap van € 137.500,-. Uit de door de man als productie 6 overgelegde concept vaststellingsovereenkomst van 12 december 2022 en de door de man als productie 7 overgelegde concept-akte verdeling en levering van
30 augustus 2024 blijken de uitgangspunten tussen partijen ten aanzien van de door hen uit privévermogen geïnvesteerde bedragen in de woning die tot voornoemde vergoedingsrechten leiden, aldus de man.
2.5.15.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.5.16.
De kern van het geschil tussen partijen is of zij overeenstemming hebben bereikt over het bestaan en de omvang van vergoedingsrechten. Niet in geschil is dat partijen contact hebben gehad met een notaris en dat er verschillende concept-akten zijn opgesteld. Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat deze huwelijkse voorwaarden niet rechtsgeldig zijn opgesteld. Dat neemt niet weg dat partijen wel rechtsgeldige afspraken hebben kunnen maken over de vergoedingsrechten. Daaraan stelt de wet immers niet de eis van een notariële akte. Op grond van artikel 6:217 BWPro komt een overeenkomst tot stand door aanbod en de aanvaarding daarvan. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van dat wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie art. 3:35 inPro verband met art. 3:33 enProart. 3:37 lid 1 BWPro). [1] Uit artikel 3:33 BWPro volgt dat voor het bestaan van een overeenkomst noodzakelijk is dat er een op een rechtsgevolg gerichte wil is, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Op het ontbreken van de wil kan geen beroep worden gedaan tegen de wederpartij die erop mocht vertrouwen dat de verklaring van de ander overeenstemde met diens wil (artikel 3:35 BWPro).
2.5.17.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, zowel in de periode voor het aangaan van het huwelijk van partijen als na het aangaan van het huwelijk, zich heeft gedragen naar de man op een manier dat hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat zij het eens waren dat ieder van hen vergoedingsrechten op de (beperkte) gemeenschap heeft ten aanzien van de bedragen die zij uit hun privévermogen hebben geïnvesteerd in de woning. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt en wat de hoogte van de vergoedingsrechten zijn, wordt hierna uiteengezet.
2.5.18.
In de concept-vaststellingsovereenkomst van 12 december 2022 staat dat partijen de bij hen in eigendom zijnde goederen en zaken per huwelijksdatum stellen op een privévermogen aan de zijde van de man van € 316.500,- en een privévermogen aan de zijde van de vrouw van € 164.250,- (productie 6 van de man). Vervolgens staat in het concept verdeling en levering van 30 augustus 2024 dat aan de man een “vorderingsrecht” toebehoort voor de overwaarde van de woning van de man, alsmede het spaargeld van de man en een inbreng in de genoemde woning (lees: de woning) voor € 40.000,- ontvangen uit een erfenis voor een totaalbedrag van € 356.500,- (productie 7 van de man). In deze concept verdeling en levering staat dat aan de vrouw een “vorderingsrecht” toebehoort voor de overwaarde van de woning van de vrouw, alsmede het spaargeld van de vrouw voor een totaalbedrag van € 164.250,-.
2.5.19.
Het verweer van de vrouw dat zij niet betrokken was bij de besprekingen tussen de man en de notaris en dat voornoemde aktes niet haar wens vertegenwoordigen verwerpt de rechtbank, gelet op de door de man als productie 4 overgelegde brief van de notaris van
15 april 2025. In deze brief start de notaris met een kopje “ Korte situatieschets / tijdsverloop” van de zaak. Dit gedeelte in de brief ziet op de periode van begin 2021 tot en met november 2024. Hieruit blijkt dat de man begin 2021 voor een eerste gesprek bij de notaris is verschenen en dat naar aanleiding van diverse contacten tussen de man, de vrouw en de notaris een vervolgbespreking heeft plaatsgevonden op 21 maart 2022. Vervolgens schrijft de notaris onder het kopje “ Huidige situatie / vervolgstappen in verband met opgestelde akten”“ uit bovenstaande blijkt mijns inziens dat er (vanuit de kant van u zelf alsook van [naam vrouw] ) tijd is genomen om de akten goed te overdenken en aan te laten passen naar uw wensen en uw situatie”.Ook schrijft de notaris in haar brief “Verder ben ik van mening dat de beide opgestelde akten de wensen van u beiden als cliënten weergeven. Immers is steeds, na een bespreking met u beiden op ons kantoor, waarbij u ook beiden steeds heeft aangegeven wat de vragen/opmerkingen of eventuele gewenste wijzigingen waren, het concept van de akten aangepast zodanig dat dit in overeenstemming zou zijn met die wensen. Voorts is het passeren van de akte eind 2022 niet doorgegaan vanwege inhoudelijke onjuistheden. Echter heeft uiteraard wel plaatsgevonden de beoordeling van de notaris ten aanzien van de “wilsbekwaamheid” van u beiden als client en de wilsovereenstemming over de opgestelde akten. Hierover bestond / bestaat geen twijfel. De bedoelingen van u beiden als partij(en) bij de beide akten, staan weergegeven in de vaststellingsovereenkomst en de later gekozen vorm van de verdelingsakte en huwelijksvoorwaarden”.Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze brief dat de vrouw betrokken was bij de besprekingen met de notaris en dat zij niet geprotesteerd heeft tegen de vergoedingsrechten die over en weer in de akten zijn opgenomen. Juridisch rust op de notaris de zwaarwegende zorgplicht inhoudende dat hij dient te handelen “zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot mag worden verwacht”. De notaris moet zich niet alleen richting zijn opdrachtgever houden aan deze zorgplicht, maar onder bepaalde omstandigheden geldt zelfs een zorgplicht richting anderen (derden). Verder wordt van de notaris verwacht dat hij zijn ambt onafhankelijk uitoefent. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat er reden is om te twijfelen aan de zorgplicht van de notaris en aan diens uitlatingen in de hiervoor genoemde brief.
2.5.20.
Uit de brief van de notaris van 15 april 2025 blijkt ook: “de destijds ook opgestelde akte van vaststellingsovereenkomst is, afgezien van een eenmalige toevoeging / wijziging in verband met de daarin opgenomen bedragen, steeds ongewijzigd gebleven en was tussen u beiden ook geen onderwerp van discussie en/of verdere vragen aan mijn adres”. De wens van partijen om afspraken te maken over hun privévermogens is dus in de loop der tijd niet gewijzigd, maar wel de daarin opgenomen bedragen dan wel de hoogte van de vergoedingsrechten. De rechtbank concludeert dan ook dat het doel van partijen altijd al was om onder meer afspraken te maken over de vergoedingsrechten. Slechts de hoogte daarvan is kennelijk onderwerp van gesprek geweest.
2.5.21.
Voor de rechtbank staat dus vast dat er tussen partijen wilsovereenstemming was over het bestaan van vergoedingsrechten. Naar het oordeel van de rechtbank moet voor de hoogte van de overeengekomen vergoedingsrechten gekeken worden naar de bedragen die in de concept-vaststellingsovereenkomst van 12 december 2022 zijn opgenomen, te weten aan de zijde van de man een bedrag van € 316.500,- en aan de zijde van de vrouw een bedrag van € 164.250,-.
2.5.22.
In het concept verdeling en levering van 30 augustus 2024 is het vergoedingsrecht aan de zijde van de man € 40.000,- hoger vanwege een erfenis die de man heeft ontvangen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij op 8 juni 2024 ernstig ten val is gekomen, dat zij door deze val een zware hersenschudding heeft opgelopen en dat zij bijzonder veel moeite had met het zich kunnen concentreren en met het doornemen van de stukken die door de notaris werden opgesteld. De wijziging van de hoogte van het vergoedingsrecht aan de zijde van de man kan hierdoor aan de vrouw voorbij zijn gegaan. De rechtbank zal daarom, anders dan de man stelt, aan zijn zijde niet uitgaan van het bedrag van € 356.500,- zoals blijkt uit de concept verdeling en levering van 30 augustus 2024, maar aan de zijde van de man uitgaan van het bedrag van € 316.500,- zoals blijkt uit de concept vaststellingsovereenkomst van 12 december 2022. De rechtbank is van oordeel dat partijen het eens waren over de in deze vaststellingsovereenkomst genoemde bedragen.
2.5.23.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat in de door de notaris opgestelde conceptakten staat opgenomen de overeenstemming van partijen over het privévermogen dat ieder van hen heeft geïnvesteerd in de beperkte gemeenschap (de woning) en de daaruit voortvloeiende vergoedingsrechten. Dat die overeenstemming niet is bereikt met het oog op de echtscheiding, doet hier niet aan af.
2.5.24.
De man stelt dat op zowel zijn vergoedingsrecht als op het vergoedingsrecht van de vrouw, de beleggingsleer van toepassing is. De vrouw heeft dat niet betwist. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de man en de vrouw recht hebben op een vergoeding conform de beleggingsleer op grond van artikel 1:87 lid 2 sub a BWPro.
De formule luidt als volgt:
investering van de man of de vrouw : waarde woning ten tijde van de investering x waarde van het goed op het tijdstip van voldoening van de vergoeding (lees de getaxeerde waarde)
2.5.25.
Uitgegaan moet worden van een investering van € 316.500,- aan de zijde van de man en € 164.250,- aan de zijde van de vrouw. Ten aanzien van de waarde van de woning ten tijde van de investering, gaat de rechtbank uit van de waarde van de woning van € 1.100.000,- zoals blijkt uit de concept akte verdeling en levering van 30 augustus 2024. De rechtbank acht dit redelijk, omdat dit bijna aansluit bij de WOZ-waarde per peildatum
1 januari 2024 (productie 33 van de vrouw).
De rechtbank beschikt niet over de waarde van de woning ten tijde van de het tijdstip van de vergoeding, omdat partijen de woning nog moeten taxeren. Het is aan partijen om nadere invulling te geven aan de hiervoor genoemde formule zodra de getaxeerde waarde van de woning bekend is.
2.6.
Pensioenverevening
2.6.1.
De man verzoekt voor recht te verklaren dat geen pensioenverevening zal plaatsvinden, omdat partijen bij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat er geen pensioenverevening zal plaatsvinden.
2.6.2.
De vrouw voert verweer.
2.6.3.
De rechtbank is in r.o. 2.5.5. bij de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime tot het oordeel gekomen dat partijen geen rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden hebben gesloten. Niet is gebleken dat partijen de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding op een andere wijze hebben uitgesloten. Als een echtgenoot tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot bij echtscheiding van rechtswege recht op pensioenverevening.
2.6.4.
Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
2.7.
Proceskosten
2.7.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3.De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te
[plaatsnaam] ;
3.2.
bepaalt dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de woning gelegen aan de [adres] , die aan de man uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die op nihil wordt gesteld;
3.3.
kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe van € 1.222,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
3.4.
gelast de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt:
de woning en de daarop rustende hypothecaire schuld
de woning op de [adres] moet zo spoedig mogelijk getaxeerd worden door LANA makelaars & taxateurs;
de woning wordt toegedeeld aan de man voor de in het taxatierapport vermelde vrije verkoopwaarde onder de voorwaarde dat de man uiterlijk binnen vier maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de financiering rond krijgt, zodanig dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
als het de man niet lukt om de vrouw tijdig te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dan moet direct na de datum waarop duidelijk is geworden dat dit niet is gelukt, gestart worden met de verkoop van de woning aan een derde. Die verkoop aan een derde moet geschieden op de volgende manier:
verkoop vindt plaats door een door partijen gezamenlijk ingeschakelde makelaar. Als partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar;
partijen werken mee aan het eventueel opnieuw bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, een en ander in overleg met de makelaar en binnen de door de makelaar gestelde termijn;
partijen werken mee aan geplande bezichtigingen;
partijen zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging;
partijen verrichten alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen;
partijen werken mee aan het tekenen van de koopovereenkomst;
partijen werken mee aan de levering van de woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
Bij dit alles geldt nog het volgende:
voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft;
in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de woning aan een derde;
als de makelaar de opdracht tot verkoop van de woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers;
op de overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning aan de man of aan een derde minus de kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning) worden eerst de vergoedingsrechten waarvan de berekenwijze is omschreven in
r.o. 2.5.24. en 2.5.25. in mindering gebracht. De resterende overwaarde wordt door partijen bij helfte gedeeld. Als de overwaarde onvoldoende is om de volledige vergoedingsrechten van partijen uit te keren, dan hebben partijen recht op een vergoeding volgens de formule: vergoedingsrecht partij : totale bedrag vergoedingsrechten partijen x de overwaarde;
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, voorzitter en rechter, mr. E.M. Moerman en mr. L.E.D. Tjeertes, rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 10 februari 2026.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.