Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
4. [gedaagde 4],
5. [gedaagde 5],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de dagvaarding van 13 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord van [gedaagden] .;
- de akte overlegging producties van [gedaagden] ., met bijlagen 1 tot en met 27;
- de mondelinge behandeling op 28 januari 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. De Bakker;
- de pleitaantekeningen van mr. Rijntjes.
3.De feiten
De voorzieningenrechter:
4.De vorderingen
5.De beoordeling
in hoedanigheid van executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder en waarnemend executeur in de nalatenschap van [erflater]”.
[gedaagden] . hebben niet gesteld dat, en waarom, hun belangen bij het behouden van de geïncasseerde gelden zwaarder wegen dan het belang van [eiser] bij terugbetaling van die gelden. [gedaagden] . hebben ook niets gesteld ten aanzien van een eventueel restitutierisico, zodat ook dit aspect niet tot afwijzing van de vordering tot (terug)betaling kan leiden.
Praktisch gezien ligt het in de rede dat [gedaagde 3] het nog niet aan [gedaagde 4] en [gedaagde 5] doorbetaalde bedrag rechtstreeks terugbetaalt, mits [eiser] daar ook mee akkoord is, maar deze praktische mogelijkheid staat niet aan de toewijzing van het door [eiser] gevorderde in de weg.
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
6.De beslissing
op 9 maart 2026.
3349 / 1694