ECLI:NL:RBROT:2026:24

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
25/2803
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WIA-uitkering en beoordeling arbeidsongeschiktheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 7 januari 2026, betreft het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering door het UWV. Eiser, werkzaam als fieldservice engineer, had zijn aanvraag ingediend na een ziekmelding op 22 februari 2022. Het UWV concludeerde dat hij ondanks zijn beperkingen in staat was meer dan 65% van zijn eerdere loon te verdienen, en wees de aanvraag af. Eiser voerde aan dat zijn medische situatie niet correct was beoordeeld en dat hij meer beperkingen had dan het UWV had vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het UWV de afwijzing terecht had gedaan, omdat eiser geen objectief medisch bewijs had ingebracht om de conclusies van de verzekeringsartsen te betwisten. De rechtbank bevestigde dat de geselecteerde functies voor eiser niet zijn belastbaarheid overschreden en dat hij niet volledig arbeidsongeschikt was. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2803

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Gorinchem, eiser

(gemachtigde: mr. S.G.C. van Ingen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV acht eiser ondanks zijn beperkingen in staat meer dan 65% van het loon te verdienen dan hij verdiende voordat hij ziek werd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert meerdere beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van het UWV.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de aanvraag om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen. Eiser heeft geen objectief (medisch) bewijs ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet WIA met het besluit van 15 februari 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 is het UWV bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser werkt tot zijn ziekmelding op 22 februari 2022 als fieldservice engineer (installateur / monteur) voor 40 uur per week. Op 15 november 2023 vraagt eiser een WIA-uitkering aan.
3.1.
Voor de beoordeling van de aanvraag is eiser op het spreekuur geweest van de verzekeringsarts van het UWV. Deze verzekeringsarts heeft onderzocht wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn. Deze beperkingen zijn opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 1 februari 2024. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het UWV vastgesteld welk werk eiser kan doen met die beperkingen. Volgens de arbeidsdeskundige is eiser niet geschikt voor zijn eigen werk. De arbeidsdeskundige heeft wel vijf andere functies geselecteerd die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiser met de middelste van de eerste drie functies 68,81% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Omdat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde, heeft het UWV bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. [1]
3.2.
Eiser maakt bezwaar. In bezwaar doet de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV [2] opnieuw onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat er meer beperkingen moeten worden opgenomen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep deelt de conclusie van de eerste verzekeringsarts dat geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden, omdat aan de voorwaarden daarvoor niet wordt voldaan. [3] Dat geldt ook voor zover eiser een beroep doet op verminderde duurbelastbaarheid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de nieuwe FML gebruikt bij de herbeoordeling. Dat leidt tot het verwerpen van een aantal functies. De overige functies blijven gehandhaafd en er wordt nog een nieuwe functie gevonden. Zo blijven nog genoeg functies over waarmee de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid kan berekenen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan eiser 71,65% verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Het UWV heeft daarom met het besluit van 27 februari 2025 aan eiser laten weten dat hij bij zijn standpunt blijft dat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Daarom heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld.
Toetsingskader
4. Een verzekerde heeft recht op een WIA-uitkering als hij de wachttijd heeft doorlopen, hij volledig en duurzaam of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. [4] Een verzekerde is volledig en duurzaam ongeschikt als hij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd. [5] Een verzekerde is gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd. [6] Indien een verzekerde meer kan verdienen dan 65% van het laatst verdiende loon heeft de verzekerde geen recht op een WIA-uitkering. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. [7]
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het UWV de beperkingen van eiser correct vastgesteld?
5. Eiser vindt dat zijn medische situatie is onderschat en dat hij lichamelijk en psychisch meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld in de FML. Zijn lichamelijke beperkingen zijn het gevolg van een auto-ongeluk in 2018 waarbij eiser in stilstand van achteren is aangereden met 100 km/u. De bestaande psychische klachten van eiser zijn na het auto-ongeluk toegenomen. Die klachten zijn verder verergerd doordat zijn vrouw een hartstilstand heeft gehad. Ook de nasleep van de ziekmelding die tot ontslag heeft geleid bij zijn werkgever en de UWV-procedures leiden tot stress en spanning. Eiser geeft aan dat voor zijn psychische klachten ten onrechte geen (zwaardere) beperkingen zijn aangenomen op het gebied van concentratie en samenwerken. Op lichamelijk vlak stelt eiser dat (zwaardere) beperkingen hadden moeten worden aangenomen op tillen/dragen en duwen/trekken, reiken en lopen en staan. Voor het onderdeel ‘lopen en staan’ verwijst eiser onder meer naar zijn medisch dossier en de verkregen gehandicaptenparkeerkaart. Daaruit volgt dat eiser niet in staat is meer dan 100 meter te lopen. Eiser leidt daaruit af dat eiser ook geen half uur kan staan of lopen. Tot slot stelt eiser dat onder verwijzing naar het advies van de bedrijfsarts een urenbeperking gerechtvaardigd is onder andere door het slechte slapen.
5.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat geen aanleiding bestaat voor het opnemen van (zwaardere) beperkingen. Hij stelt dat niet alle depressieve klachten leiden tot verminderde concentratie en hij zelf geen verminderde concentratie heeft waargenomen. Voor een verdergaande beperking op samenwerken vanwege rigide persoonlijkheidstrekken, zal de noodzaak – zo stelt de verzekeringsarts – moeten worden vastgesteld door een psycholoog. Voor verdergaande lichamelijke beperkingen op datum in geding bestaat geen medische noodzaak. Dat geldt, ondanks de gehandicaptenparkeerkaart, ook voor het lopen en staan. De verzekeringsarts geeft aan dat het beoordelingskader voor die kaart afwijkt van de beoordeling door een verzekeringsarts. Dat geldt ook voor de urenbeperking die door de bedrijfsarts is vastgesteld. Die urenbeperking is relevant voor het re-integratietraject voor de eigen arbeid. Bij een WIA-beoordeling is een urenbeperking pas aan de orde als de andere aanpassingen in de arbeid niet leiden tot verbetering van de energetische problematiek en ook wordt voldaan aan de andere voorwaarden voor een urenbeperking.
5.2.
De rechtbank overweegt dat het UWV de besluitvorming heeft gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:
  • op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
  • geen tegenstrijdigheden bevatten; en
  • voldoende begrijpelijk zijn.
Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiser serieuze lichamelijke en psychische beperkingen heeft. Het feit dat ter zitting is gebleken dat eiser zich per 9 juli 2025 weer heeft ziekgemeld, door het UWV een Ziektewetuitkering is toegekend en eiser is doorverwezen naar Fivoor (een instelling voor mensen met psychiatrische stoornissen) onderstreept de ernst van de medische situatie van eiser. Dit kan echter niet tot een ander oordeel leiden in dit beroep. De rechtbank is bij haar beoordeling gebonden aan het wettelijk kader en de daarop gebaseerde rechtspraak. Dat betekent dat uitsluitend gekeken kan worden naar medische situatie op de datum in geding en wat daarover is aangevoerd. Ook dient de rechtbank zonder andersluidend objectief medisch bewijs uit te gaan van de juistheid van de verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank merkt nog op dat het UWV ter zitting de suggestie heeft gedaan om door de toegenomen beperkingen een herbeoordeling aan te vragen.
5.4.
De rechtbank vindt dat de rapporten van de eerste verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoen aan de onder overweging 5.2 genoemde voorwaarden. De eerste verzekeringsarts heeft eiser op 6 november 2023 gezien en hem lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft er een gesprek over de gezondheid en het functioneren van eiser plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, heeft eiser gezien en eiser kort onderzocht tijdens de hoorzitting op 4 december 2024. Daarnaast heeft hij informatie bij de behandelaars van eiser opgevraagd. Deze informatie heeft hij bij zijn beoordeling meegewogen. Op grond van bovenstaande meent de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig beeld heeft gehad van eiser.
5.5.
De rechtbank begrijpt dat eiser meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. [8] De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is niet beslissend bij de beoordeling. Dat de gemeente een invalidekaart heeft verstrekt, kan – zoals ook het UWV aangeeft – een indicatie zijn voor twijfel, maar dat is niet te beoordelen zonder het onderliggende medisch advies. Omdat eiser niet met nieuwe medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding en de verzekeringsarts uitgebreid is ingegaan op de verschillende bezwaar- en beroepsgronden, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de het UWV de beperkingen van eiser correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen in de FML juist zijn. Dat betekent ook dat eiser nog arbeidsmogelijkheden heeft en op datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid.
5.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiser de geselecteerde functies verrichten?
6. Eiser vindt dat hij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet kan verrichten. Hij stelt dat zijn belastbaarheid in deze functies wordt overschreden met name op de beperking die is aangenomen op het niet kunnen functioneren in een heel hectische werkomgeving met veel mensen bijeen. De arbeidsdeskundige heeft volgens eiser ten onrechte aangenomen dat eiser zelfstandig wel zou kunnen werken in een hectische werkomgeving met veel geluidsprikkels en visuele prikkels door andere werknemers of machines om zich heen. Eiser verwijst in dit verband naar beperkingen in rubrieken 1.8.0 en 1.8.1 uit de FML.
6.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vindt dat, nadat een aantal functies in bezwaar zijn verworpen, de functies van wikkelaar (SBC-code 267053), productiemedewerker industrie (SBC‑code 1111180) en controleur, tester elektrotechnische apparatuur (SBC‑code 267060) geschikt zijn voor eiser. Anders dan eiser stelt, overschrijden de werkzaamheden die horen bij deze functies, de belastbaarheid van eiser in de FML niet. Eiser is beperkt voor het actief deelnemen aan het proces binnen een drukke werkomgeving met veel mensen en/of geluiden, maar is volgens de arbeidsdeskundige wel in staat binnen een drukke werkomgeving zelfstandig te functioneren. Daarbij geeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook aan dat het bij de meeste van de geduide functies ook mogelijk is om met oordopjes te werken zodat eiser zich kan afsluiten voor de werkomgeving.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het kader van het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom de geduide functies de beperkingen van eiser niet overschrijden. Zoals de rechtbank in overweging 5.2 heeft aangegeven, mag van de juistheid van de bevindingen van de arbeidsdeskundige worden uitgegaan, tenzij daarover op objectieve gronden twijfel bestaat. De rechtbank overweegt dat de arbeidskundige beroepsgronden overeenkomen met die in bezwaar zijn aangevoerd. Op die gronden is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitgebreid ingegaan. Eiser heeft niet met nieuwe informatie kunnen onderbouwen waarom eiser ook zonder intensieve samenwerking met anderen niet in een (enigszins) hectische werkomgeving zou kunnen werken. Dat eiser in dat verband verwijst naar signaleringen bij de geduide functies voor de rubrieken 1.8.0. en 1.8.1. maakt dat niet anders. De rechtbank stelt vast dat uit de FML van eiser niet volgt dat eiser voor deze rubrieken beperkt is. Daarom wordt de belastbaarheid van eiser conform de FML in de geselecteerde functies niet overschreden.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank oordeelt dat het UWV zich bij de beoordeling van de aanvraag om een WIA-uitkering heeft kunnen baseren op de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten. Daaruit volgt dat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Het UWV heeft daarom terecht bepaald dat eiser op datum in geding geen recht heeft op een WIA-uitkering.
7.1.
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Wet WIA
Artikel 4 Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Artikel 5 Definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 6 Nadere bepalingen definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt
1. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
(…)
3. Onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Artikel 47 Ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
Artikel 54 Ontstaan van het recht op een WGA-uitkering
1. Recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

Voetnoten

1.Het UWV heeft dit gebaseerd op artikel 5 van de Wet WIA.
2.De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoekt in bezwaar of de eerste verzekeringsarts de beperkingen van iemand juist heeft vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoekt vervolgens of de eerste arbeidsdeskundige juist heeft vastgesteld welk werk iemand kan doen met die beperkingen.
3.Deze voorwaarden staan in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
4.Dit volgt uit artikel 47 (volledig en duurzaam arbeidsongeschikt) en artikel 54 (gedeeltelijk arbeidsongeschikt) van de Wet WIA.
5.Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA.
6.Dit volgt uit artikel 5 van de Wet WIA.
7.Dit volgt uit artikel 6 van de Wet WIA.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1654), onder 4.4.