ECLI:NL:RBROT:2026:2392

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/5985
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 ParticipatiewetArt. 4 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontheffing arbeidsverplichtingen bij bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet

Eiser, een bijstandsgerechtigde, verzocht om ontheffing van zijn arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 van Pro de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees het primaire verzoek af, maar verleende later een ontheffing voor de periode van twee jaar. Eiser stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een permanente vrijstelling, onderbouwd met klachten zoals vermoeidheid, nachtmerries en psychische belemmeringen.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen begin van bewijs had geleverd voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, zoals vereist op grond van artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Eiser had geen medische stukken overgelegd die zijn standpunt ondersteunden, noch een verklaring van een behandelaar dat hij uitbehandeld was. Het college mocht zich baseren op het dossieronderzoek en het advies van de werkcoach, die concludeerde dat de kans op de arbeidsmarkt klein is, maar dat een ontheffing van maximaal twee jaar passend is.

De rechtbank vond het beleid van het college om ontheffingen voor maximaal twee jaar te verlenen niet onredelijk, omdat dit het college in staat stelt de situatie periodiek te evalueren. Eiser bracht geen concrete feiten aan die een langere ontheffing rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de ontheffing van arbeidsverplichtingen voor twee jaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5985

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. el Kaddouri).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser verleende ontheffing van de arbeidsverplichtingen voor de duur van twee jaar. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college eiser terecht voor twee jaar heeft ontheven van zijn arbeidsverplichtingen in het kader van de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de duur van de ontheffing in redelijkheid heeft kunnen vaststellen op twee jaar. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 5 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser voor een ontheffing van de arbeidsverplichting en tegenprestatie afgewezen.
2.1.
Met een besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en aan eiser ontheffing van de arbeidsverplichting verleend voor de periode van 5 februari 2025 tot en met 4 februari 2027.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en haar collega mr. I. Plaisier.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Op 11 oktober 2024 heeft hij verzocht om ontheffing van de op grond van artikel 9 van Pro de Pw voor hem geldende verplichtingen. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser in overleg met de activeringscoach heeft afgesproken een laagdrempelige beweegactiviteit te beginnen vanaf 28 oktober 2024 tot 28 oktober 2025 en dat hiermee wordt voldaan aan de tegenprestatie.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college eiser alsnog ontheven van de arbeidsverplichting van 5 februari 2025 tot en met 4 februari 2027. Hier heeft het college het volgende aan ten grondslag gelegd. Op 30 november 2023 heeft de werkcoach aan de hand van dossieronderzoek geconcludeerd dat de kans op de arbeidsmarkt vanwege een combinatie van belemmeringen en beperkingen voor eiser klein is. Het plan van aanpak van eiser is omgezet in een ontwikkelplan ten behoeve van zorg. In een gespreksverslag met de activeringscoach op 28 oktober 2024 wordt bevestigd dat van eiser niet verwacht wordt dat hij solliciteert of gaat werken. Het college heeft het beleid om ontheffingen van de arbeidsverplichting van maximum twee jaar af te geven. Het college ziet geen bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken door aan eiser een langere ontheffing te verlenen.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van de verplichtingen van artikel 9 van Pro de Pw en dat hij hiervoor een begin van bewijs heeft geleverd. Zo kampt eiser met vermoeidheidsklachten als gevolg van het niet kunnen slapen vanwege nachtmerries. Dit zou leiden tot energetische beperkingen. Hiervoor heeft hij behandelingen bij een psycholoog ondergaan en hij gebruikt medicatie. Daarnaast lijdt hij aan psychische belemmeringen die negatieve en langdurige invloed zouden hebben op de (arbeids-) ontwikkeling. Tot slot zou eiser kampen met episodes waarbij hij overmand wordt door klachten waardoor hij niet in staat zou zijn om iets te doen. Hij wijst erop dat hij al vaker tijdelijk is ontheven van zijn arbeidsverplichting. Eiser voert verder aan dat hij in ieder geval in aanmerking dient te komen voor een ontheffing van de arbeidsverplichting voor een langere duur vanwege de aanhoudende klachten, grote beperkingen en het college zou eerder hebben erkend dat eiser door eerdergenoemde problematiek een zeer kleine kans op de arbeidsmarkt zou hebben.
Het oordeel van de rechtbank
5. Een permanente vrijstelling van alle arbeidsverplichtingen is op grond van artikel 9, vijfde lid van de Pw alleen aan de orde als de bijstandsgerechtigde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt in artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA omschreven als: duurzaam als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte slechts in staat zijn om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen. Duurzaam wordt in het tweede en derde lid omschreven als: een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
6. De bijstandsgerechtigde die een permanente vrijstelling wenst, moet een begin van bewijs leveren dat hij of zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Bij de beantwoording van de vraag of dat het geval is, mag de bijstandsverlenende instantie zich baseren op het advies van een deskundige. [1]
7. Met een enkele verwijzing naar zijn klachten en eerder afgegeven ontheffingen heeft eiser geen begin van bewijs geleverd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Hij heeft in bezwaar en beroep geen medische stukken overgelegd die zijn standpunt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ondersteunen en die een aanknopingspunt zouden kunnen geven voor eventueel verder onderzoek door het college. Eiser is volgens zijn gemachtigde op dit moment niet meer onder behandeling en hij heeft geen verklaring van een oud-behandelaar overgelegd waarin staat dat eiser is uitbehandeld en er geen verbetering meer is te verwachten. Van eiser mocht die onderbouwing met medische stukken wel worden verwacht en de gemachtigde van eiser, die hem in bezwaar en beroep heeft bijgestaan, kon dat op grond van de rechtspraak ook weten. Onder deze omstandigheden heeft het college geen aanleiding hoeven zien om eiser duurzaam te ontheffen. Het beleid om bij niet duurzame arbeidsongeschiktheid een ontheffing voor maximaal twee jaar te verlenen is in het algemeen niet onredelijk omdat dit het college de mogelijkheid biedt om de vinger aan de pols te houden. Eiser heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat het college in zijn geval in redelijkheid niet aan dat beleid heeft kunnen vasthouden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1380