ECLI:NL:RBROT:2026:2384

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/10/704469 HA ZA 25-642
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg testament en partnerbegrip bij beëindiging samenwoning en co-ouderschap

De zaak betreft de uitleg van een testament waarin erflater zijn partner tot enige erfgenaam benoemt, met een vervalbeding indien de samenwoning is verbroken. Erflater en eiseres woonden samen van 2008 tot medio 2020 en hadden een notariële samenlevingsovereenkomst. Na beëindiging van de samenwoning bleef sprake van co-ouderschap over hun twee kinderen.

Eiseres stelt dat ondanks het gescheiden wonen de affectieve relatie voortduurde en zij daardoor partner bleef volgens het testament. De kinderen van erflater betwisten dit en stellen dat de relatie was verbroken en dat het vervalbeding is ingetreden. De rechtbank weegt verklaringen, berichten en foto’s en concludeert dat de affectieve relatie was verbroken en dat erflater een nieuwe relatie had.

De rechtbank oordeelt dat de beschikkingen ten gunste van eiseres zijn vervallen en dat de nalatenschap moet worden verdeeld volgens het wettelijk versterferfrecht onder de kinderen van erflater. De vorderingen van eiseres worden afgewezen, en de verklaring voor recht van de kinderen wordt toegewezen. Iedere partij draagt eigen proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het vervalbeding in het testament is ingetreden en wijst de vordering van eiseres af; de kinderen zijn erfgenaam.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer/rolnummer: C/10/704469 HA ZA 25-642
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
advocaat: mr. I. Jonker, Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen:

1.[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats] ;
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [naam 1] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
advocaat: mr. H. Hooijer, Zeist.
De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 18 juli 2025, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met bijlage;
  • de spreekaantekeningen van mr. Jonker;
  • de spreekaantekeningen van mr. Hooijer.
1.2.
Op 15 januari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Aanwezig waren [eiser] met mr. Jonker, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met mr. Hooijer. Ook aanwezig was [naam 1] , de moeder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

2.Het geschil

In conventie en in reconventie

Waar gaat de zaak over?
2.1.
De zaak gaat over de nalatenschap van de in 2024 overleden vader van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , die van oktober 2008 tot medio 2020 met [eiser] heeft samengewoond. [eiser] stelt dat de uitleg van zijn testament met zich brengt dat zij enig erfgenaam is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dit. Volgens hen is het vervalbeding van het testament ingetreden en zijn zij, op grond van het wettelijk versterferfrecht, samen met hun halfbroers [naam 3] en [naam 4] de erfgenamen. Het draait dus om de vraag of de in het testament ten gunste van [eiser] opgenomen beschikkingen zijn vervallen. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Dit betekent dat de kinderen van erflater erfgenaam zijn. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
Feiten die voor de beslissing van belang zijn.
2.2.
Op [datum] 2024 is in Utrecht overleden [erflater] (hierna: erflater). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de kinderen van erflater uit zijn huwelijk met [naam 1] . Uit dit huwelijk is ook nog [naam 2] geboren, die kort na haar geboorte is overleden. Uit de relatie van erflater en [eiser] zijn twee kinderen geboren, [naam 3] en [naam 4] .
2.3.
Erflater en [eiser] hebben vanaf oktober 2008 samengewoond, eerst in de huurwoning van [eiser] in [plaats] , vanaf maart 2016 in hun gezamenlijke koopwoning aan de [adres] in [naam 1] .
2.4.
Op 14 november 2016 hebben erflater en [eiser] een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Op diezelfde datum heeft erflater bij testament over zijn nalatenschap beschikt. In het testament zijn de volgende – voor deze zaak van belang zijnde – bepalingen opgenomen:

B.ERFSTELLINGEN EN LEGATEN
1. Ik benoem mijn partner mevrouw
[eiser], geboren te [plaats] op (…), met wie ik een gemeenschappelijke huishouding voer en met wie ik (…) een samenlevingsovereenkomst ben aangegaan tot mijn enige erfgenaam.
2. Ik legateer aan ieder van mijn kinderen een bedrag gelijk aan het erfdeel dat zij zouden hebben gekregen indien zij samen met mijn partner als erfgenaam tot mijn nalatenschap waren geroepen.
F.EXECUTEUR
Ik benoem tot executeur mijn partner. Indien deze de benoeming niet aanvaardt dan wel haar hoedanigheid van executeur om welke reden dan ook eindigt, benoem ik in haar plaats tot executeur een van de medewerkers werkzaam ten kantore van mr. IJntze Rieuwerd Hoekstra, dan wel zijn ambtsopvolger (…)
G.VERVAL BESCHIKKINGEN PARTNER
Indien ten tijde van mijn overlijden de samenwoning met mijn partner is verbroken vervallen alle beschikkingen ten gunste van mijn partner. De beschikkingen blijven echter in stand indien de samenwoning door omstandigheden buiten onze wil is geëindigd.
(…)”
2.5.
Erflater huurde vanaf 8 juni 2020 een woning aan de [adres] in [naam 1] . Erflater en [eiser] zijn toen apart gaan wonen. Op 8 maart 2024 heeft erflater zich officieel laten inschrijven op dat adres. Vanaf dat moment was hij geen fiscaal partner meer van [eiser] .
De vordering in conventie
2.6.
[eiser] vordert:
I. voor recht te verklaren dat zij enig erfgenaam van erflater is en de executeur van zijn nalatenschap;
II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.
2.7.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat zij enig erfgenaam en executeur is. Hoewel zij en erflater ten tijde van zijn overlijden niet meer onder één dak woonden, onderhielden zij nog steeds een nauwe en affectieve relatie. Erflater onderhield daarnaast ook een affectieve relatie met een andere vrouw. Door het, ondanks het gescheiden wonen, voortzetten van de affectieve relatie, is de vervalbepaling in het testament niet in werking getreden. Erflater was bovendien van plan om weer met haar te gaan samenwonen.
Het verweer in conventie
2.8.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat [eiser] (enig) erfgenaam is van erflater. Op het moment van zijn overlijden was de samenwoning al een tijd verbroken en hadden erflater en [eiser] geen (partner)- of open relatie. Zij betwisten ook dat de samenwoning buiten de wil van erflater en [eiser] om is geëindigd, en dat erflater van plan was om weer met [eiser] te gaan samenwonen. De contacten van erflater met [eiser] waren louter functioneel en voor de stabiliteit van [naam 3] en [naam 4] . Erflater had sinds medio 2021 een relatie met [naam 7] , met wie hij ten tijde van zijn overlijden verloofd was. Hierdoor is volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sprake van de in het testament onder G bedoelde situatie, zodat de beschikkingen die erflater in het testament ten gunste van [eiser] heeft gemaakt zijn komen te vervallen.
De vorderingen in reconventie
2.9.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen tegen deze achtergrond dat voor recht wordt verklaard dat het vervalbeding onder G in het testament van erflater van toepassing is en daardoor de nalatenschap van erflater moet worden verdeeld als ware er een wettelijke verdeling.
Het verweer in reconventie
2.10.
[eiser] betwist dat het vervalbeding van toepassing is. Zij en erflater verbleven weliswaar niet in de gezamenlijke woning, maar voerden wel een gezamenlijke huishouding. Ze zagen elkaar wekelijks en hadden nog een affectieve relatie. Spanningen door de ‘vechtscheiding’ tussen erflater en [naam 1] , waren destijds de oorzaak van een andere invulling van hun relatie. Ze lieten elkaar vrij in het leven. Er was dus geen sprake van een definitieve breuk.

3.De beoordeling

In conventie en in reconventie

3.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen zozeer met elkaar samen dat deze gelijktijdig zullen worden behandeld.
Juridisch kader
3.2.
Bij testament heeft erflater onder G bepaald dat alle beschikkingen ten gunste van zijn partner vervallen indien ten tijde van zijn overlijden de samenwoning met zijn partner is verbroken, behalve wanneer de samenwoning door omstandigheden buiten hun wil is geëindigd. Vast staat dat de samenwoning met [eiser] medio 2020 is beëindigd, maar [eiser] betwist dat de relatie was verbroken. Ondanks dat zij gescheiden woonden, hadden zij een affectieve relatie en voerden ze een gezamenlijke huishouding. Zij stelt dat de uitleg van het testament van erflater met zich brengt dat zij enig erfgenaam is.
3.3.
Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW Pro moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil gemaakt. Als zich na het opmaken van de uiterste wil feiten of omstandigheden voordoen, waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij wat de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikkingen alleen golden voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor die uitleg is niet nodig dat erflater bij het maken van de uiterste wil op die feiten en omstandigheden is vooruitgelopen. [1]
Uitleg testament met betrekking tot het begrip partner
3.4.
Niet in geschil is dat erflater en [eiser] ten tijde van het opmaken van het testament een affectieve relatie met elkaar hadden en dat [eiser] daarmee erflaters partner was zoals bedoeld in zijn testament. Zij woonden op dat moment samen in hun gezamenlijke woning aan de [adres] in [naam 1] .
Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was de affectieve relatie tussen erflater en [eiser] op het moment van overlijden al jaren verbroken en hadden zij ook geen gezamenlijke huishouding meer. Er was alleen sprake van co-ouderschap over [naam 3] en [naam 4] . Het in gezamenlijk eigendom houden van de woning aan de [adres] heeft erflater uitsluitend in het belang van [naam 3] en [naam 4] gedaan. Omdat [eiser] betwist dat de affectieve relatie verbroken was en dat alleen sprake was van functioneel contact, zal de rechtbank eerst beoordelen of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevolgd kunnen worden in hun standpunt.
3.5.
Dat de relatie en de samenleving tussen erflater en [eiser] is geëindigd leiden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder andere af uit dat wat erflater aan hen, familie en vrienden heeft verteld, zijn verhuizing naar de [adres] in [naam 1] en zijn liefdesrelatie met [naam 7] . Zij onderbouwen dit met diverse verklaringen van vrienden en familie, maar ook met berichten van erflater en [eiser] zelf, waaronder:
een e-mail van erflater aan [naam 5] op 24 juli 2020:
“Beste [naam 5] ,
Hierbij wil ik je mededelen dat vanaf deze week mijn woonadres veranderd is. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] heb ik net verteld dat [eiser] en ik vanaf deze week gescheiden leven.”
een whatsappbericht van erflater aan zijn vriendengroep van dezelfde datum:
“Beste vrienden,
Heel onpersoonlijk maar vanwege tijdsplanning wil ik jullie vertellen dat [eiser] en ik vanaf deze week gescheiden leven (…)
We hebben besloten om gescheiden verder te gaan. (…)
Ik blijf in [naam 1] wonen en samen gaan we voor [naam 3] en [naam 4] zorgen in een vriendschappelijke setting en komen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] de weekenden en vakanties bij mij. Waarbij [eiser] ook in beeld blijft.”
een whatsappbericht van [eiser] aan [naam 6] van 24 juli 2020 waarin zij bevestigt dat zij en erflater uit elkaar gaan:
“Ja is ook verdrietig maar deze beslissing is wel al in december gemaakt. We konden zo niet meer. (…) [naam 14] en ik zijn beste vrienden en respecteren elkaar maar als liefdespaar zijn we elkaar kwijt geraakt.”
en whatsappberichten van erflater aan [naam 7] :
“Vind je een bijzondere vrouw. Ben echt verliefd op je. ”
“Je geeft mij een veilig gevoel. Wij zijn intens naar elkaar toe. Echt nieuw voor mij. Dank je [naam 7] .”
“Toch ga ik het je vragen. Wil jij met mij trouwen?”
Daarnaast hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] foto’s overgelegd waarop erflater en [naam 7] samen te zien zijn.
3.6.
[eiser] stelt op haar beurt dat uit de diverse verklaringen van derden, foto’s en berichten tussen erflater en haar blijkt dat zij ook na beëindiging van de samenwoning een affectieve relatie hadden. Naar de volgende whatsapp berichten verwijst [eiser] in het bijzonder:
een whatsappbericht van erflater aan haar van 29 augustus 2020:
“Mis je ook je mag bedt naast me liggen. Totdat ik ga snurken. Hoop echt dat je meer rust in je lijf krijgt.”
whatsappberichten tussen [eiser] en erflater van 10 juli 2024:
[eiser] : “ Maar alleenstaand dan hoef ik jouw gegevens toch niet? Dan vul ik jou nergens in.”
Erflater: “ Ja doe maar. Op papier voor Tui zijn wij dat niet. Doe maar.”
[eiser] : “ Wel voor je pensioen en testament”
“ Mag ik hopen”
“ Jij komt [naam 3] halen toch?”
Erflater: “ Ja daar is niks in veranderd.”
en een whatsappbericht van 22 augustus 2024:
“Veel plezier met dansen. Was echt leuk vanavond. Ik vind dit soort avonden heel fijn. Hou ook van jou. X”
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met de door hen overgelegde berichten en verklaringen voldoende hebben onderbouwd dat de affectieve relatie tussen erflater en [eiser] was verbroken. Zijn vrienden [ naam 15] , [naam 16] en [naam 17] hebben verklaard dat erflater hen in 2019 en 2020 heeft laten weten dat zijn relatie met [eiser] voorbij was en dat zij hun leven gescheiden zouden voortzetten. Verder hebben zij verklaard dat erflater een warme liefdevolle relatie met [naam 7] had. Als stel waren zij aanwezig bij belangrijke gebeurtenissen in de vriendenkring. Ook familieleden hebben verklaringen afgelegd over het verbreken van de relatie tussen erflater en [eiser] .
Zo hebben zijn zus [zus] en zwager [zwager] verklaard dat de relatie tussen erflater en [eiser] in april 2020 is beëindigd en dat hij en [naam 7] huwelijksplannen hadden. [naam 11] , de broer van erflater, heeft eveneens verklaard dat [eiser] al vier jaar niet meer de vriendin van erflater was en dat zij ook niet meer bij elkaar woonden. [naam 7] was aan de familie voorgesteld als de nieuwe relatie van erflater. De verklaring van [naam 7] vermeldt onder meer hun ontmoeting in april 2021, de reizen als samengesteld gezin en de samenwonings- en trouwplannen.
De door [eiser] overgelegde verklaringen en whatsapp berichten, leggen hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal. De verklaringen zijn merendeels afkomstig van mensen die nauwelijks tot geen contact hadden met erflater en die erflater en [eiser] vóór 2020 niet of nauwelijks samen hebben gezien. Ook aan de verklaring van [naam 12] en [naam 13] , de buren van [eiser] , komt weinig gewicht toe. Dat erflater regelmatig bij [eiser] langskwam kan worden verklaard door het co-ouderschap. De uitleg van [eiser] dat sprake was van een open relatie op het moment van overlijden is gelet op de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde verklaringen en berichten ook niet aannemelijk. Het enkel noemen van liefkozende woorden (waarvan het merendeel van de zijde van [eiser] afkomstig was) en foto’s zijn onvoldoende om te oordelen dat nog sprake was van een affectieve relatie en partnerschap. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden heeft in een vergelijkbare kwestie geoordeeld dat het feit dat er (vele) foto’s zijn waarop erflater en zijn gewezen partner samen vakantie of feestdagen vieren, geen uitsluitsel geeft over de vraag of zij nog een affectieve relatie hadden; ook goede vrienden kunnen samen vakantie of feestdagen vieren. [2] Dat geldt ook voor erflater en [eiser] die een goede band hadden.
De rechtbank volgt verder [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waar zij aangeven dat het bericht van erflater aan [eiser] van 10 juli 2024 niets zegt over een voortgezette affectieve relatie. Ook al zou het antwoord van erflater
“ Ja daar is niks in veranderd”betrekking hebben gehad op de vraag van [eiser] over het pensioen en testament, dan nog is dat onvoldoende om aan te nemen dat de affectieve relatie voortduurde. Als vaststaand moet dan ook worden aangenomen dat erflater en [eiser] geen affectieve relatie meer hadden op het moment van overlijden van erflater en dat alleen sprake was van een goede relatie in het kader van co-ouderschap. Dat betekent dat [eiser] op het moment van overlijden van erflater geen partner was zoals bedoeld in zijn testament. De vraag of de benoeming door erflater van zijn partner al dan niet onlosmakelijk verbonden is met de samenwoning, behoeft daarom ook niet beantwoord te worden. Ook de vraag of de samenwoning is geëindigd door omstandigheden buiten de wil van erflater en [eiser] om, kan onbeantwoord blijven. Dit betekent dat de beschikkingen die erflater ten gunste van [eiser] heeft gemaakt zijn komen te vervallen. Zij is dus geen erfgenaam en ook geen executeur.
Het door [eiser] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd. Reden daarvoor is dat de rechtbank met name veel waarde hecht aan de eigen verklaringen van erflater in e-mail- en whatsappberichten aan familie en vrienden. Gebleken is dat [eiser] de mobiele telefoon van erflater in haar bezit heeft genomen en een selectie heeft gemaakt van de berichten van erflater aan haar die zij wilde tonen. De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in reconventie gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. De conventionele vordering van [eiser] zal om dezelfde redenen worden afgewezen.
Bewind
3.8.
Erflater heeft in zijn testament onder “I. Bewind” zijn partner benoemd tot bewindvoerder. Omdat de beschikkingen die erflater ten gunste van [eiser] heeft gemaakt zijn komen te vervallen en [eiser] op grond van voorgaande overwegingen niet meer kan gelden als partner van erflater ten tijde van zijn overlijden, wordt overwogen dat het testament zo moet worden uitgelegd dat [eiser] geen bewindvoerder is. Partijen hebben geen aparte verklaring voor recht ten aanzien van het bewind ingesteld, zodat dit niet in de beslissing zal worden opgenomen.
Proceskosten
3.9.
De rechtbank ziet, gelet op de aard van het geschil, aanleiding om te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten betaalt.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.10.
Dit vonnis zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [3] Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van diens uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).
Tot slot
3.11.
De rechtbank wil tot slot opmerken de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling op 15 januari 2026 in het belang van [naam 3] en [naam 4] voorgestelde oplossing ten aanzien van de woning aan [adres] in [naam 1] , een nobel aanbod van deze twee jonge vrouwen te vinden. Hopelijk slagen partijen er alsnog in om gezamenlijk tot een oplossing te komen.

4.De beslissing

De rechtbank:
In conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
In reconventie
4.2.
verklaart voor recht dat het vervalbeding onder G van het testament is ingetreden en dat de nalatenschap van [erflater] , geboren op [geboortedatum] 1967 en overleden op [datum] 2024, moet worden verdeeld als ware er versterferfrecht en dat dus de kinderen van erflater erfgenaam zijn;
In conventie en in reconventie
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3092

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531
2.Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6550
3.artikel 233 Rv Pro