Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
29 januari 2026
Rechtbank Rotterdam
Mevrouw verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft verzocht tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank beoordeelt dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden, ondanks dat sommige schulden van haar partner afkomstig zijn en niet te goeder trouw zijn ontstaan. Omdat zij gehuwd is in gemeenschap van goederen, is zij hoofdelijk verbonden, maar er is geen verwijt of voordeel aan haar zijde vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is de insolventieprocedure te openen en bepaalt de looptijd van de Wsnp op achttien maanden. De ingangsdatum wordt vastgesteld op 29 juni 2025, na aftrek van zeven maanden waarin verzoekster heeft voldaan aan afdrachtverplichtingen tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject. De rechtbank kan echter niet met zekerheid vaststellen dat het vrij te laten bedrag (vtlb) correct is nageleefd vanwege ontbrekende onderliggende stukken.
Daarom wordt het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject overgelaten aan de rechter-commissaris of rechtbank bij beëindiging van de regeling. Een bewindvoerder en rechter-commissaris worden benoemd om toezicht te houden en de boedel te beheren. De post wordt geblokkeerd gedurende de eerste dertien maanden. Bij volledige nakoming eindigt het traject met een schone lei, waardoor schuldeisers niet langer kunnen verhalen op verzoekster.
Uitkomst: Verzoekster wordt toegelaten tot de Wsnp met ingangsdatum 29 juni 2025 en een looptijd van achttien maanden, waarbij het definitieve oordeel over nakoming van verplichtingen aan de rechter-commissaris wordt overgelaten.