ECLI:NL:RBROT:2026:219

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4306
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de in mindering gebrachte kinderalimentatie op de bijstandsuitkering van een alleenstaande ouder

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een alleenstaande ouder, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Eiseres ontving bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) en had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college waarin de ontvangen kinderalimentatie in mindering werd gebracht op haar bijstandsuitkering. Het primaire besluit, dat op 24 oktober 2024 werd genomen, leidde tot een korting van € 616,53 per maand op de uitkering van eiseres. Eiseres stelde dat het college ten onrechte een te hoog bedrag aan alimentatie had ingehouden en dat er onvoldoende rekening was gehouden met de werkelijke situatie van haar ex-partner en de alimentatiebeschikking.

De rechtbank heeft de argumenten van eiseres beoordeeld en geconcludeerd dat het college terecht de alimentatie in mindering heeft gebracht. De rechtbank oordeelde dat niet de feitelijk ontvangen alimentatiebedragen, maar de alimentatiebedragen waarover eiseres redelijkerwijs kan beschikken, relevant zijn. Eiseres had niet voldoende onderbouwd dat haar ex-partner geen draagkracht had en dat het inschakelen van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) geen zin zou hebben. De rechtbank oordeelde dat het college op basis van de beschikbare gegevens de alimentatiecorrecties correct had doorgevoerd en dat er geen aanleiding was voor nader onderzoek naar de draagkracht van de ex-partner.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond, wat betekent dat zij geen gelijk kreeg in haar verzoek om terugbetaling van het griffierecht en vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van de juiste toepassing van de Participatiewet en de verantwoordelijkheden van zowel de bijstandsontvanger als het college.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4306

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.A. van Enckevort),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).

Procesverloop

1. Met de uitkeringsspecificatie van 24 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college de door eiseres ontvangen kinderalimentatie in mindering gebracht op haar uitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
Met het besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres ontvangt bijstand als alleenstaande (ouder). Bij de toekenning van bijstand per 19 mei 2016 werd alimentatie gekort van € 493,72 per maand voor alle drie de (op dat moment) minderjarige kinderen. Met de ex-partner was namelijk afgesproken dat voor de drie kinderen $ 500,00 (dollar) per maand wordt betaald. Met het primaire besluit heeft het college wegens ontvangen kinderalimentatie van € 616,53 per maand in mindering gebracht op de bijstandsuitkering van eiseres.
2.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, in die zin dat rekening is gehouden met de meerderjarigheid van één, respectievelijk twee kinderen. Hiertoe is vanaf 1 oktober 2024 het alimentatiebedrag waar eiseres redelijkerwijs over kon beschikken, herberekend. Vanaf 1 oktober 2024 tot en met 10 december 2024 is de hoogte van de op de uitkering gekorte kinderalimentatie verlaagd naar € 411,02 per maand. Vanaf 11 december 2024 tot en met 31 december 2024 is de hoogte van de gekorte kinderalimentatie verlaagd naar € 205,51. Vanaf 1 januari 2025 wordt maandelijks € 218,86 gekort op de uitkering vanwege kinderalimentatie. Met het bestreden besluit is ook beslist dat eiseres een nabetaling zal ontvangen van € 1.549,67 vanwege te veel ingehouden alimentatie over de periode 1 oktober 2024 tot en met 28 februari 2025.
Het standpunt van eiseres
3. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte een te hoog bedrag aan alimentatie heeft ingehouden. Zij stelt dat slechts het feitelijk ontvangen bedrag aan alimentatie kan worden ingehouden. Het college heeft volgens eiseres ten onrechte geen rekening gehouden met de beschikking, de indexering en de wisselkoersen. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) zou de alimentatie anders berekenen, waardoor niet het door het college aangehouden alimentatiebedrag kan worden geïncasseerd. Eiseres betoogt verder dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de (on)mogelijkheden van het LBIO tot incasseren en de draagkracht van de ex-partner. In dit verband verwijst eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. [1] Hierdoor is volgens eiseres ook sprake van een schending van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres betoogt tot slot dat ten onrechte is aangenomen dat zij geen financiële moeilijkheden ondervindt. Zij wijst erop dat zij is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire.
Juridisch kader
4. Het voor deze zaak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
5. Het betoog van eiseres dat het college enkel de feitelijk ontvangen alimentatie mag inhouden, slaag niet. Volgens vaste rechtspraak [2] zijn niet de feitelijk ontvangen alimentatiebedragen relevant in deze procedure, maar de alimentatiebedragen waarover eiseres redelijkerwijs kan beschikken. Ook in het geval eiseres feitelijk geen alimentatie zou hebben ontvangen, laat dat onverlet dat zij op grond van de tussen haar en haar ex-partner geldende beschikking een aanspraak had op kinderalimentatie ten aanzien van haar ex-partner. Eiseres wordt geacht daarover redelijkerwijs te kunnen beschikken, eventueel na inschakeling van het LBIO. Eiseres stelt dat zij niet redelijkerwijs over de alimentatie kon beschikken omdat haar ex-partner geen middelen had en het inschakelen van het LBIO daarom geen zin zou hebben. Deze stelling heeft eiseres niet nader onderbouwd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zij redelijkerwijs over de alimentatie kon beschikken.
6. Het betoog van eiseres dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de draagkracht van de ex-partner, slaagt evenmin. Het college heeft er terecht op gewezen dat de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarnaar eiseres verwijst, niet in lijn is met de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 2024. Ook heeft het college er terecht op gewezen dat de situatie van de vrouw in de genoemde uitspraak anders is dan de situatie van eiseres. In de betreffende uitspraak van de rechtbank betrof het een alimentatiebeschikking die bij verstek is toegewezen. De man in kwestie heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzochte alimentatiebedrag en betaalde bovendien in het geheel geen alimentatie. Daar komt bij dat de betreffende gemeente eerder had vastgesteld dat de man geen enkele draagkracht had voor een onderhoudsbijdrage.
In de situatie van eiseres is de ex-partner, gelet op de beschikking, de feitelijke betalingen en de correspondentie met eiseres, bekend met diens onderhoudsplicht en de vastgestelde alimentatie. Uit het dossier blijkt niet dat de ex-partner geen draagkracht heeft om de vastgestelde alimentatie te voldoen. Uit de correspondentie blijkt dat de ex-partner zelf wenst te sparen voor de meerderjarige kinderen. Hieruit volgt niet dat de ex-partner te weinig draagkracht heeft voor de alimentatie. Er was voor het college dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de draagkracht van de ex-partner van eiseres.
7. Het betoog van eiseres dat het college geen rekening heeft gehouden met de beschikking en de indexeringen, slaagt ook niet. Bij de berekening van de alimentatie is het college uitgegaan van de voor handen zijnde gegevens van eiseres. Zo is het alimentatiebedrag van € 493,72 per maand in 2016 door eiseres doorgegeven in het kader van de aanvraag voor levensonderhoud. Dit bedrag is vervolgens op juiste wijze geïndexeerd. De stelling van eiseres dat het LBIO de alimentatie anders zou berekenen, onder andere in verband met de wisselkoersen, is niet onderbouwd met nadere stukken. Eiseres is hiertoe in de gelegenheid gesteld, maar zij heeft de gestelde juiste berekening en bewijsstukken van het LBIO niet overgelegd.
8. Het betoog van eiseres dat ten onrechte is aangenomen dat zij geen financiële moeilijkheden ondervindt, slaagt evenmin niet. Het college moet ervoor zorgen dat bijstand terecht komt bij mensen die er recht op hebben. In dit kader heeft het college de alimentatie waarover eiseres redelijkerwijs kan beschikken als zijnde middelen ingehouden op de aan eiseres verstrekte bijstand. Er is niet gebleken dat het besluit onevenredig nadelige financiële gevolgen voor eiseres heeft in verhouding tot het te dienen doel. Eiseres heeft geen bewijsstukken ingeleverd die de gestelde financiële problemen onderbouwen. Integendeel, eiseres heeft verklaard dat zij in de zomer van 2024 haar rijbewijs heeft gehaald, dat zij in 2024 een auto heeft gekocht, dat zij schuldenvrij is en dat zij op vakantie is geweest in 2024. Hieruit is niet op te maken dat eiseres in de periode in geding (van 1 oktober 2024 tot 15 maart 2025, de datum waarop het recht op bijstand van eiseres is ingetrokken omdat zij vanaf die datum voldoende inkomsten uit arbeid ontvangt om in haar eigen levensonderhoud te voorzien) te kampen had met financiële problemen. De rechtbank betreurt dat eiseres gedupeerde is van de toeslagenaffaire.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te raken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van Pw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- of inkomensbestanddelen waarover een alleenstaande of een gezin redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.

Voetnoten

1.De uitspraak van 8 februari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2O22: 975.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1042.