Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Gorinchem, eiser,
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Eiser, een docent techniek uit Gorinchem, was sinds 2 oktober 2020 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 31 oktober 2024, omdat eiser meer dan 65% van zijn loon zou verdienen. Na bezwaar stelde het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 64,57% en kende de uitkering toe.
Eiser voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, met name dat zijn oog- en gehoorklachten onvoldoende waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hij stelde ook dat de werktijden in de FML onjuist waren en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van medische adviezen en objectieve gegevens van oogarts en KNO-arts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had gemotiveerd dat geen aanvullende beperkingen nodig waren voor horen, zien, geluid of statische houdingen. De subjectieve klachten van eiser zijn niet doorslaggevend; alleen objectief vastgestelde beperkingen tellen mee.
De rechtbank concludeerde dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiser correct had vastgesteld en dat het verlies aan verdienvermogen 64,57% bedroeg. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 64,57% wordt ongegrond verklaard.