ECLI:NL:RBROT:2026:2034
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beslaglegging op WW-uitkering
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een beslaglegging op een WW-uitkering door het UWV. Het UWV had bepaald dat een deel van de WW-uitkering van verzoeker werd betaald aan een beslaglegger, Stroomopwaarts. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 23 februari 2026 bleek dat de openstaande vordering van Stroomopwaarts nog slechts €320 bedroeg. Verzoeker overlegde geen stukken die het spoedeisend belang konden onderbouwen. De voorzieningenrechter oordeelde dat daardoor niet aannemelijk was gemaakt dat sprake was van een spoedeisend belang, een vereiste voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Daarnaast werd opgemerkt dat het UWV als derdebeslagene de omvang van het beslag en de beslagvrije voet als gegeven moet aannemen, en dat bij geschillen hierover de burgerlijke rechter bevoegd is. Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang werd het verzoek afgewezen. Er werden geen proceskosten toegewezen en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beslaglegging op de WW-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.