Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaats] , eiseres
de Directeur-Generaal van de Statistiek, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
Toetsingskader
Beoordeling door de rechtbank
“Ik ga het bespreken en ga ervan uit dat we er met elkaar uitkomen. U hoort nog van ons.”Eiseres is van mening dat zij door verweerder aan het lijntje is gehouden en dat zij op deze verklaring mocht vertrouwen. Toen een reactie van verweerder uitbleef heeft eiseres alsnog beroep ingesteld. Ter staving van haar standpunt heeft eiseres een verklaring van een medewerker ingebracht die getuige is geweest van het door [persoon B] gevoerde telefoongesprek. Tevens heeft eiseres ten bewijze van een gevoerd telefoongesprek gegevens van de provider overgelegd.
De rechtbank acht het in het algemeen voorstelbaar dat bij een ondubbelzinnige toezegging van een bestuursorgaan dat een beslissing op bezwaar zal worden ingetrokken, het te laat instellen van beroep niet verwijtbaar kan zijn.
“Dhr. van [persoon B] gesproken. Hij is kwaad en gaat naar de rechtbank beroep aantekenen. Hij vroeg hoe dit moest. Verwezen naar de rechtbank zelf. Hij gaat ook de media erbij halen.”Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit gesprek door verweerder de toezegging is gedaan de beslissing opnieuw te heroverwegen. De rechtbank heeft, mede gelet op het procesverloop en de wisselingen van standpunten tot dan toe, ook geen aanleiding om te veronderstellen dat verweerder na de beslissing op bezwaar deze opnieuw zou willen heroverwegen. Verweerder heeft verder in haar systemen onderzocht of meer telefoongesprekken hebben plaatsgevonden, maar heeft daarover niets aangetroffen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er, behoudens het gesprek op 29 april 2025, telefonisch contact met verweerder heeft plaatsgevonden waarin een toezegging tot heroverweging is gedaan. De rechtbank heeft eiseres de mogelijkheid geboden om door middel van de belgeschiedenis aan te tonen dat zij contact heeft gehad met verweerder. Eiseres heeft met haar aanvullende reactie van 12 december 2025 slechts aangetoond dat [persoon B] op 10 juni 2025 heeft gebeld met verweerder. Dit gesprek duurde 52 seconden en dateerde van nadat eiseres al beroep had ingesteld. Dat er na het einde van beroepstermijn nog contact is geweest met verweerder, kan geen bewijs vormen voor verschoonbaarheid. De termijn was toen immers al verstreken.
“Hierbij reageer ik op de schandelijke gang van zaken over dit dossier. Ik heb bezwaar gemaakt en laat het voor de rechter komen. De televisie zal ook aanwezig zijn om deze ernstige vorm van oneerlijkheid en bureaucratie aan het licht te brengen voor heel Nederland en de politiek. Ik betaal dus niets want ik ga deze zaak zeker winnen met het bewijs wat ik nog achter de hand heb. Schaam jullie diep! In plaats van ondernemers te helpen is dit ondernemertje pesten en een ernstige vorm van geldverkwisting voor de maatschappij.”De rechtbank ziet in de verklaring dan ook geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat ook als telefonisch van de zijde van verweerder wel een uitlating met een dergelijke strekking zou zijn gedaan, eiseres hieraan nog niet de verwachting kon ontlenen dat de bestuurlijke boete zou komen te vervallen en er dus geen beroep hoefde te worden ingesteld. Het was dan immers ook mogelijk dat verweerder na intern overleg toch bij handhaving van het besluit zou blijven. Ook geldt daarbij dat in de lezing van eiseres de medewerker van verweerder op enig moment verklaarde dat zij dit niet zelfstandig kon beslissen, maar dat zij het ging overleggen. Daarmee is dan geen sprake van een persoon die namens het bevoegde orgaan een toezegging kan hebben gedaan waaraan de verwachting mocht worden ontleend dat de boete van tafel zou gaan.