ECLI:NL:RBROT:2026:1637

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
10-256313-22; 10-110589-23; 10-204721-23; 10-282228-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor poging tot afpersing, vernieling, huisvredebreuk en diefstal

De rechtbank Rotterdam heeft op 9 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere feiten waaronder poging tot afpersing, vernieling van goederen, huisvredebreuk en diefstal. De verdachte heeft op 5 oktober 2022 geprobeerd een medewerker van Johnny’s Burger Company te dwingen tot afgifte van geld door dreiging en agressief gedrag. Tevens heeft hij diverse goederen vernield, een tuinstoel vernield bij zijn ex-partner, huisvredebreuk gepleegd en op 17 juni 2025 een klopboor en kabels gestolen uit een woning.

De rechtbank achtte de poging tot afpersing, vernielingen, huisvredebreuk en diefstal bewezen op basis van verklaringen van getuigen, politieprocessen-verbaal en bekennende verklaringen van de verdachte. De mishandeling van zijn ex-partner en vernieling van een raam werden niet bewezen verklaard wegens onvoldoende bewijs. De verdachte was onder invloed van drugs en alcohol tijdens de feiten en heeft een verleden met soortgelijke vermogensdelicten.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 300 dagen op, waarvan 294 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling van verslaving en psychische problematiek. De voorlopige hechtenis werd geschorst en een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege het belang van resocialisatie. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken van de feiten waarop de vordering was gebaseerd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf waarvan 294 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-256313-22; 10-110589-23; 10-204721-23; 10-282228-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-015306-21
Datum uitspraak: 9 februari 2026
Datum zitting: 26 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres 1] , ( [postcode] ) te [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Al-Aukaili, waarnemend kantoorgenoot van
mr. M. Taheri
Officier van justitie: mr. M. van Eck
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. Y.L. Zandbergen
Kern van het vonnis
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan:
  • dat hij op 5 oktober 2022 een medewerker van de Johnny’s Burger Company heeft gepoogd af te persen en een telefoon, een koelkast, een computerscherm, een bestelzuil, een balie, een milkshake apparaat en deuren heeft vernield (feiten 1 en 2);
  • dat hij op 28 april 2023 een tuinstoel en een regenpijp van zijn ex-partner heeft vernield (feit 3);
  • dat hij op 12 augustus 2023 een raam heeft vernield bij zijn ex-partner, haar heeft mishandeld en huisvredebreuk heeft gepleegd (feiten 4, 5 en 6);
  • dat hij op 17 juni 2025 heeft ingebroken in een woning aan de [adres delict] , waarbij hij een klopboor, breekhamer, kabels en een kabelhaspel heeft gestolen (feit 7).
De rechtbank komt tot het oordeel dat de poging tot afpersing en de vernielingen bij de Johnny’s Burger Company, de vernieling van de tuinstoel en de huisvredebreuk bij zijn ex-partner, alsmede de (gekwalificeerde) diefstal zijn bewezen.
De mishandeling van zijn ex-partner en de vernieling van het raam van zijn ex-partner op
12 augustus 2023 zijn niet bewezen.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 300 dagen waarvan 294 dagen voorwaardelijk.
De vordering tot tenuitvoerlegging van een door de politierechter voorwaardelijk opgelegde taakstraf wijst de rechtbank af.
De [benadeelde partij] wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Bewijs / Vrijspraak
1.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gevorderd van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte voor wat betreft feit 3 partieel moet worden vrijgesproken van vernieling van de regenpijp en voor wat betreft feit 7 partieel moet worden vrijgesproken, omdat het feit niet in een woning is gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1.
1.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 4, 5 en 6. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het vernielen van de regenpijp. Voor wat betreft feit 7 heeft de verdediging bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van diefstal met braak. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
1.3.
Oordeel van de rechtbank
1.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 5 oktober 2022 bij Johnny’s Burger Company diverse goederen heeft vernield en een medewerker heeft gepoogd af te persen door op dreigende manier geld te vragen. Ook is bewezen dat de verdachte op 28 april 2023 een tuinstoel van zijn ex-partner heeft vernield en op 12 augustus 2023 huisvredebreuk bij zijn ex-partner heeft gepleegd. Tot slot is bewezen dat de verdachte op 17 juni 2025 een klopboor, kabelhaspel en kabels heeft gestolen door middel van verbreking en inklimming.
De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 1.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 2 (vernieling) en 3 (vernieling) bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
Feit 2
1.
De bekennende verklaring van de verdachte [2] ;
2.
Het proces-verbaal van de politie, verklaring van de [aangever 1] namens Johnny’s Burger Company [3] ;
Feit 3
3.
De bekennende verklaring van de verdachte [4] ;
4.
Het proces-verbaal van de politie, verklaring van de [aangeefster] [5] ;
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van een regenpijp. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte opzet heeft gehad op de vernieling. De verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken.
Feit 1
5.
De verklaring van de verdachte [6] :
“Het klopt dat ik op 5 oktober 2022 in de Johnny’s Burger Company in Zwijndrecht was.”
6.
Het proces-verbaal van de politie, verklaring van de [aangever 1] namens Johnnys Burger Company [7] :
“Ik was op 5 oktober 2022 werkzaam als bedrijfsleider bij Johnny's Burger Company te Zwijndrecht. Omstreeks 22:15 uur kwam er een man (
de rechtbank begrijpt: de verdachte) de zaak binnengelopen. Ik hoorde hem op een schreeuwerige manier zeggen of eisen: "Geef me geld, geef me al je geld," De man keek mij strak aan en zei: "Ik ga jou halen, ik ga je pakken. Jij bent de lul, ik zweer het op mijn broertje. Ik zweer het op mijn dode broertje." Vervolgens hoorde ik hem zeggen: "Ik kom over tien seconden terug, je gaat zien". Ik voelde spanning en angst bij deze man. Ik was bang dat hij iets ging pakken om zijn bedreiging kracht bij te zetten. Hij kwam namelijk met één hand op de balie en de andere hand hield hij bij zijn broek. Ik kon niet zien wat hij daar deed. Hij kwam op mij zeer agressief over en was echt op iets uit.”
7.
Het proces-verbaal van de politie, verklaring van de [getuige] [8] :“Op 5 oktober 2022 waren Yassine (
de rechtbank begrijpt: de aangever) en ik aan het werk bij Johnny’s Burger Company te Zwijndrecht. Op een gegeven moment kwam er een man (
de rechtbank begrijpt: de verdachte) binnengelopen. Uit het niets begon de man te schreeuwen: "Ik wil geld, ik wil geld". Ik hoorde dat de man schreeuwde: "Ik zweer het op mijn dode broertje". De man verliet daarna Johnny's Burgers. Ik zag dat de man na ongeveer 5 minuten weer de Johnny's Burger binnenliep. Ik hoorde dat hij riep: "Ik wil geld, ik wil geld". Ik zag ook dat hij zijn hand de hele tijd bij zijn broekzak hield.”
Feit 6
8.
De verklaring van de verdachte [9] :
“Ik ben op 12 augustus 2023 door het raam naar binnen gegaan in de keuken van de woning van mijn ex-partner [aangeefster] .”
9.
Het proces-verbaal van de politie, verklaring van de [aangeefster] [10] :
“Ik wil aangifte doen van huisvredebreuk gepleegd door mijn ex-vriend [verdachte] . Op 12 augustus 2023 ben ik mijn woning aan de [adres 2] weer ingegaan en ik heb de achterdeur op slot gekregen. [verdachte] is binnengekomen door het raam van de achterdeur.”
10.
Het proces-verbaal van de politie [11] :
“Op het moment dat wij in de achtertuin op het adres [adres 2] kwamen, zagen wij dat het glas van de achterdeur kapot was en dat er een grote hoeveelheid glasscherven op de tegels in de tuin lagen. Wij zagen dat er op de keukenvloer een grote hoeveelheid bloed lag en dat er meerdere grote bloedvlekken op de vitrage en vliegengordijn zaten. Wij zagen dat [aangeefster] de tuindeur van het slot afhaalde en deze voor ons opende.”
Feit 7
11.
De verklaring van de verdachte [12] ;
“Ik heb op 17 juni 2025 in een pand aan de [adres 3] een boor meegenomen. Ik denk dat ik gedacht heb: ik neem die kabel er gewoon bij. Ik ga niet zeggen dat ik het niet heb gedaan. Ik zal het wel gedaan hebben.”
12.
Het proces-verbaal van de politie, verklaring van de [aangever 2] [13] .
“Ik heb een woning aan de [adres 3] . Dit betreft een renovatiewoning. Ik weet dat de mensen die aan mijn woning werken op 17 juni 2025 omstreeks 17.00 uur zijn vertrokken. Zij hadden hierbij de woning rondom volledig afgesloten.
Op 17 juni 2025 omstreeks 19.43 uur kreeg ik een melding op mijn telefoon dat er iemand op mijn terrein liep aan de [adres 3] . Ik opende mijn telefoon en zag op de camerabeelden dat er een man aan de achterzijde van mijn woning een zeil lostrok die was vastgeniet aan een houten balk. Ik zag dat deze man vervolgens naar binnen kroop en door mijn huis wandelde. Ik zag op de camerabeelden dat de man een klopboor pakte van het merk HBM. Vervolgens zag ik dat de man een kabel rol pakte. Ik zag dat de man met mijn klopboor en de kabel rol via de achterzijde weer mijn woning verliet. Ik zag vervolgens dat hij om 19.47 uur mijn terrein afreed met een fiets en wegfietste.”
De bewezenverklaring van de feiten 1 (afpersing), 6 (huisvredebreuk) en 7 (gekwalificeerde diefstal) is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1.3.2.
Bewijsmotivering
Feit 1
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van afpersing, omdat geen sprake was van een dreigende context die objectief bezien geschikt is om dwang uit te oefenen en de dreiging niet functioneel gericht was op het afdwingen van een afgifte.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 5 oktober 2022 in de Johnny’s Burger Company is geweest. De aangever was op dat moment werkzaam als bedrijfsleider. Hij heeft verklaard dat de verdachte agressief overkwam en dat hij schreeuwde dat de aangever geld moest geven. Hij keek de aangever daarbij strak aan, zei op een dreigende toon tegen hem dat hij hem zou gaan halen en pakken en hield één hand bij zijn broek. Ook de getuige heeft verklaard dat hij de verdachte heeft horen schreeuwen dat hij geld wilde en dat hij zijn hand de hele tijd bij zijn broekzak hield. De verdachte kan zich weinig herinneren van het incident, omdat hij onder invloed was van crack en alcohol. Hij heeft erkend dat hij degene is op de beelden en heeft verklaard spijt te hebben van het voorval, omdat hij mensen pijn heeft gedaan en bang is van zichzelf.
De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat het handelen van de verdachte in deze situatie, waarbij hij op dreigende wijze (schreeuwend en op agressieve toon en met de hand bij zijn broek(zak) houdende) gevraagd heeft om afgifte van geld en vervolgens weer is teruggekomen, kan worden beschouwd als bedreiging met geweld gericht op het afdwingen van de afgifte van geld. Nu de medewerker niet is overgegaan tot de afgifte van een geldbedrag is het bij een poging tot afpersing gebleven. De rechtbank komt tot de conclusie dat het handelen van de verdachte een poging tot afpersing zoals tenlastegelegd, oplevert. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Feit 6
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van huisvredebreuk, omdat de aanwezigheid van de verdachte niet wederrechtelijk was. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn verblijf wederrechtelijk was.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 12 augustus 2023 in de woning van de aangeefster is geweest. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte de ruit van haar deur heeft vernield en vervolgens via deze ruit haar woning is binnengekomen, haar heeft aangevallen en dat zij de verdachte met een mes in zijn rug heeft gestoken. Verbalisanten treffen de verdachte in de directe omgeving van de woning van de aangeefster ernstig gewond aan. De verdachte heeft letsel aan zijn rug en arm. Verder constateren zij dat het glas van de achterdeur van de woning van de aangeefster kapot is en dat de deur op slot zit. In de keuken treffen de verbalisanten een grote hoeveelheid bloed aan. De verdachte kan zich weinig herinneren van het incident, maar heeft erkend in de woning van de aangeefster te zijn geweest.
De rechtbank leidt uit de gegeven feiten en omstandigheden af dat de verdachte op
12 augustus 2023 in de woning van de aangeefster is geweest en dat zijn verblijf wederrechtelijk was. Door na een ruzie tussen de aangeefster en de verdachte via een kapotte ruit van een gesloten deur de woning te betreden, is de verdachte tegen de onmiskenbare wil van de aangeefster de woning binnengedrongen. Onder de gegeven omstandigheden was het voor de verdachte voldoende duidelijk dat hij niet meer welkom was in de woning van de aangeefster. Het enkele feit dat de aangeefster en de verdachte eerder hebben samengewoond en de aangeefster de verdachte niet expliciet heeft medegedeeld dat zijn aanwezigheid niet gewenst was, doet daar niet aan af. De wil van de rechthebbende kan immers ook blijken uit een andere omstandigheid, namelijk middels een afgesloten deur of het sluiten van een deur voor iemand die de betreffende woning wil binnengaan. Het verweer wordt dus verworpen.
Feit 7
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van diefstal met braak. De verdachte heeft verklaard dat hij degene is op de camerabeelden en dat hij het zeil opzij heeft getrokken. Het betrof op het moment van de diefstal nog geen woning, omdat het huisrecht nog niet werd uitgeoefend. De verdachte moet van dat onderdeel worden vrijgesproken.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van diefstal met braak. De verdachte heeft weliswaar bekend te goederen te hebben weggenomen, uit het dossier blijkt niet dat de verdachte een afsluiting heeft verbroken, geforceerd of beschadigd, die strekte tot beveiliging tegen binnendringen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 17 juni 2025 in het pand aan de [adres 3] goederen heeft weggenomen. De verdachte heeft verklaard dat hij degene is op de camerabeelden in het pand. Op deze camerabeelden is te zien dat de verdachte een plastic zijl onderin lostrekt, de woning betreedt en vervolgens een boor, een kabelhaspel en kabels wegneemt. Uit het dossier komen geen feiten en omstandigheden naar voren komen waaruit blijkt dat de verdachte de toegang tot een afgesloten ruimte heeft geforceerd. Met de raadsvrouw is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van braak. De verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken. Ook zal de verdachte worden vrijgesproken van de diefstal uit een woning, nu op het moment van de diefstal het pand niet bewoond werd. Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de goederen heeft weggenomen door middel van verbreking en inklimming.
1.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
primair:
hij op 5 oktober 2022 te Zwijndrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld Y [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan Johnny's Burger Company, in elk geval aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "geef me geld, geef me al je geld", "ik ga jou halen, ik ga je pakken. Jij bent de lul, ik zweer het op mijn broertje. Ik zweer het op mijn dode broertje" en "ik kom over tien seconden terug, je gaat zien", althans enige woorden van bedreigende strekking, en zijn hand op/bij zijn broek(zak) heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 5 oktober 2022 te Zwijndrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, een koelkast, een computerscherm, een bestelzuil, die geheel aan Johnny's Burger Company, toebehoorden heeft vernield, beschadigd
en/ofonbruikbaar gemaakt;
10-110589-23
3.
hij op 28 april 2023 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk een tuinstoel, die geheel aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd
en/ofonbruikbaar gemaakt;
10-204721-23
6.
hij op 12 augustus 2023 te Zwijndrecht in de woning, , [adres 2] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 3] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

10-282228-25

7.
hij op 17 juni 2025 te Zwijndrecht, een klopboor en kabels en een kabelhaspel, die geheel aan [slachtoffer 2] , toebehoorde
n, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming.
1.3.4.
Vrijspraak feit 4 (mishandeling) en 5 (vernieling)
De mishandeling en vernieling op 12 augustus 2023 waarvan de verdachte wordt beschuldigd zijn niet bewezen, omdat het dossier onvoldoende ondersteunend bewijs bevat die de lezing van de aangeefster bevestigen. Zo past het één dag na het incident bij de aangeefster geconstateerde letsel, te weten een kleine bult aan de linkerzijde van het hoofd, niet zonder meer bij de geweldshandelingen die volgens de aangeefster door de verdachte zouden zijn verricht, namelijk het geven van meerdere kopstoten en een stomp tegen het hoofd. De verklaring van de aangeefster tegenover de verbalisant dat “de bult gisteren erger was en nu al minder was geworden”, maakt dat niet anders. Ook ontkent de verdachte de aangeefster die avond te hebben mishandeld. Voor wat betreft de verklaring van de aangeefster dat de verdachte het raam heeft vernield door er meermaals tegen aan te slaan, geldt eveneens dat het dossier onvoldoende ondersteunend bewijs bevat. Vast staat dat het raam die avond kapot is gegaan, maar de verdachte ontkent dat hij daarvoor verantwoordelijk is en geen van de buren, die op de betreffende avond wel een ruzie tussen de aangeefster en de verdachte hebben gehoord, heeft de vernieling zelf waargenomen. Dit betekent dat voor beide feiten wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

2 Kwalificatie en strafbaarheid

2.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 primair
poging tot afpersing;
feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen/onbruikbaar maken;
feit 3
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen/onbruikbaar maken;
feit 6
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
feit 7
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking en inklimming.
2.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

3 Straf

3.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 296 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis moet worden opgeheven.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstaf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals in het reclasseringsrapport vermeld.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten, terwijl hij onder invloed was van alcohol en/of drugs.
Hij heeft zich in de Johnny’s Burger Company schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van een medewerker. Kort na de afpersing is de verdachte teruggekomen en heeft hij diverse goederen heeft vernield. De verdachte heeft zich op agressieve en vervelende manier gedragen. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte een voor de betrokken medewerker beangstigende situatie gecreëerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijk incident een grote impact kan hebben op het leven en het gevoel van (on)veiligheid en dat slachtoffers als gevolg daarvan lange tijd last kunnen houden van psychische klachten. Uit de verklaring die de medewerker bij de politie heeft afgelegd blijkt dat de medewerker angst en spanning voelde en dat hij bang was dat de verdachte iets ging pakken om zijn bedreiging kracht te zetten. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de mogelijke (psychische) gevolgen van zijn handelen voor de betrokken medewerker. Los daarvan veroorzaken misdrijven als de onderhavige, gevoelens van angst onveiligheid in de maatschappij.
Zes maanden later heeft de verdachte wederom een vernieling gepleegd, deze keer bij zijn ex-partner. De verdachte heeft met een tuinstoel gegooid toen hij zijn spullen wilde ophalen. Vervolgens heeft hij bij dezelfde ex-partner enkele maanden later huisvredebreuk gepleegd. De verdachte was beide keren onder invloed en heeft met zijn handelen zijn ex-partner schade en overlast bezorgd.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal door middel van verbreking en inklimming. Hij is een renovatiewoning binnengelopen en heeft op brutale wijze een klopboor, een kabelhaspel en kabels weggenomen. Dergelijke vermogensdelicten bezorgen de benadeelde naast de nodige schade ook veel hinder. De verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Bovendien veroorzaken misdrijven als de onderhavige gevoelens van onveiligheid en verontwaardiging bij de benadeelde en in de maatschappij in het algemeen.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.
3.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten (vermogensdelicten).
Rapporten van de reclassering
In het rapport van Verslavingsreclassering GGZ Fivoor van 22 januari 2026 staat het volgende.
Onderhavige verdenkingen zijn geen onderdeel van een delictpatroon, al valt wel op dat de verdachte vaker werd veroordeeld wegens vermogensdelicten. De verdachte staat sinds augustus 2023 onder schorsingstoezicht bij Fivoor reclassering. Hij stond destijds ook in het kader van een voorwaardelijke veroordeling onder toezicht, echter is de eindtermijn van dat toezicht reeds bereikt.
Er is sprake van ernstige verslavingsproblematiek. Hedendaags staat het cocaïnegebruik van de verdachte op de voorgrond. Zijn gebruik leidt tot instabiliteit op bijna alle leefgebieden.
De verdachte was ten tijde van onderhavige verdenkingen onder invloed, wat een mogelijk ontremmend effect op zijn handelen heeft gehad en mogelijk heeft geleid tot een psychose. Er is daarnaast sprake van psychische problemen. De verdachte werd in het verleden gediagnosticeerd met Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD), trekken van borderline persoonlijkheidsstoornis en een licht verstandelijke beperking, echter ontbreekt actuele diagnostiek. De verdachte ervaart constant angst, stress en depressieve gedachtes en kampt met trauma’s. Het ontbreekt hem aan een toekomstperspectief en de verdachte bevindt zich in een omgeving met gebruikers. De verdachte verbleef de afgelopen jaren in verschillende woonvormen maar voelt zich hier niet thuis. Vanuit de zorgen
omtrent de verslavings- en psychische problematiek van de verdachte wordt getracht de juiste hulpverlening in te zetten. In dit kader heeft de reclassering onlangs reeds een klinische aanmelding gedaan, vooruitlopend op het vonnis in onderhavige verdenkingen. Een langdurige opname wordt gezien de problematiek in de toekomst als wenselijk geacht en hiervoor zijn mogelijkheden bij De Hoop. Wij hebben behalve de houding van de verdachte, waarin hij zich gemotiveerd uit tot gedragsverandering, geen zicht gekregen op overige mogelijke beschermende factoren. Sinds onderhavige verdenkingen heeft de verdachte geen contact meer gehad met zijn ex-partner en wij achten interventies te bescherming van haar dan ook niet als geïndiceerd. De verdachte voelt zich slachtoffer. Hij uit zich gemotiveerd om mee te werken aan een klinische opname. Hij ziet binnen het forensisch kader geen andere opties. Om de kans op recidive te verlagen acht de reclassering het noodzakelijk dat de verdachte een (langdurige) opname zal ondergaan voor behandeling op verslaving en psychosociaal functioneren.
Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname en beheersing middelengebruik.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij hulp wil en zal meewerken aan de genoemde voorwaarden.
3.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 6 oktober 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaren en vier maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank heeft deze omstandigheid betrokken bij de vaststelling van de strafsoort en strafmaat.
3.3.4.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Hoewel de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, de verdachte vrijspreekt van de feiten 4 en 5 (mishandeling en vernieling) en er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank enerzijds de aard van het bewezenverklaarde zodanig ernstig, maar anderzijds het belang van de resocialisatie van de verdachte zodanig, dat niet afgedaan moet worden aan de op maat gemaakte straf die door de officier van justitie is gevorderd.
Daarom wordt een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van 300 dagen opgelegd.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rest van de gevangenisstraf, te weten 294 dagen, wordt voorwaardelijk opgelegd. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, direct begeleid en behandeld kan worden en zo de gelegenheid krijgt om een nieuwe start te maken. De voorwaardelijke straf heeft daarbij als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht, een verplichting tot een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname en de beheersing van middelengebruik.

4.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van
17 augustus 2023 geschorst. De rechtbank heft het bevel tot de voorlopige hechtenis van de verdachte op.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor de feiten 4 en 5 € 5.916,20 als vergoeding voor materiële schade en € 1.750,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van een deel van de immateriële schade en de kosten voor het vervangen van het glas kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering die ziet op de verhuiskosten, de kosten voor een nieuwe telefoon en de nog nader te onderbouwen schade, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 4 en 5. Mocht de verdachte worden veroordeeld, dan moet de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard of worden afgewezen, omdat de materiële en immateriële schade onvoldoende zijn onderbouwd en er geen causaal verband bestaat met de tenlastegelegde feiten. Daar komt bij dat de draagkracht van de verdachte nihil is en de verdachte zelf slachtoffer is van een ernstig geweldsincident gepleegd door de benadeelde partij.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 4 en 5.
5.4.1.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

6.Vordering tot tenuitvoerlegging

6.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter op 14 april 2021 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen gelet op het tijdsverloop.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen of dat de proeftijd moet worden verlengd.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Dit betekent dat de vordering tenuitvoerlegging in beginsel voor toewijzing gereed ligt.
De rechtbank ziet evenwel toch af van de tenuitvoerlegging, omdat de tenuitvoerlegging in de weg zou staan aan het eerder aangegeven belang van resocialisatie van de verdachte. De vordering wordt dus afgewezen.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 138, 311, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 4 en 5 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 6 en 7, zoals in hoofdstuk 1 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 2 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 300 (driehonderd) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
294 (tweehonderdvierennegentig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de veroordeelde een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start op een door de reclassering (in overleg met de betreffende instelling) te bepalen datum. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
3. de veroordeelde zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Hoop of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
4. de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Hoop of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/ observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
5. de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-015306-21)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 14 april 2021 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de veroordeelde heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B.A. Slebus griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 februari 2026.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
10-256313-22
1.
primair:
hij op of omstreeks 5 oktober 2022 te Zwijndrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Johnny's Burger Company, in elk geval aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "geef me geld, geef me al je geld", "ik ga jou halen, ik ga je pakken. Jij bent de lul, ik zweer het op mijn broertje. Ik zweer het op mijn dode broertje" en/of "ik kom over tien seconden terug, je gaat zien", althans enige woorden van bedreigende strekking, en/of zijn hand op/bij zijn broek(zak) heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:hij op of omstreeks 5 oktober 2022 te Zwijndrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldbedrag in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Johnny's Burger Company, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "geef me geld, geef me al je geld", "ik ga jou halen, ik ga je pakken. Jij bent de lul, ik zweer het op mijn broertje. Ik zweer het op mijn dode broertje" en/of "ik kom over tien seconden terug, je gaat zien", althans enige woorden van bedreigende strekking, en/of zijn hand op/bij zijn broek(zak) heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 5 oktober 2022 te Zwijndrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, een koelkast, een computerscherm, een bestelzuil, een balie, een milkshake apparaat en/of deuren, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Johnny's Burger Company, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
10-110589-23
3.
hij op of omstreeks 28 april 2023 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk een regenpijp en/of een tuinstoel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Woonkracht 10 en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
10-204721-23
4.
hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zwijndrecht [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3]
- tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, (telkens) een kopstoot te geven en/of
- naar de grond te werken en/of
- bij de armen beet te pakken;
5.
hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van de achterdeur van een woning aan de Karekietstraat, nummer 32), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
6.
hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zwijndrecht in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres 2] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 3] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

10-282228-25

7.
hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Zwijndrecht, in een woning en/of op een besloten erf waarop de woning staat, te weten [adres 3] , alwaar, hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een klopboor en/of breekhamer en/of kabels en/of een kabelhaspel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.
2.Verklaard tijdens de zitting van 26 januari 2026.
3.Proces-verbaal van de politie, nummer [proces-verbaalnummer 1] , pagina 25 e.v. en nummer [proces-verbaalnummer 2] , pagina 20 e.v. van het doorgenummerde procesdossier.
4.Verklaard tijdens de zitting van 26 januari 2026.
5.Proces-verbaal van de politie, nummer [proces-verbaalnummer 3] , pagina 19 e.v. van het doorgenummerde procesdossier.
6.Verklaard tijdens de zitting van 26 januari 2026.
7.Proces-verbaal van de politie, nummer [proces-verbaalnummer 1] , pagina 25 e.v. van het doorgenummerde procesdossier.
8.Proces-verbaal van de politie, nummer [proces-verbaalnummer 4] , pagina 28 e.v. van het doorgenummerde procesdossier.
9.Verklaard tijdens de zitting van 26 januari 2026.
10.Proces-verbaal van de politie, nummer [proces-verbaalnummer 5] , pagina 25 e.v. en nummer [proces-verbaalnummer 6] , pagina 27 e.v. van het doorgenummerde procesdossier.
11.Proces-verbaal van de politie, nummer [proces-verbaalnummer 7] , pagina 63 e.v. van het doorgenummerde procesdossier.
12.Verklaard tijdens de zitting van 26 januari 2026.
13.Proces-verbaal van de politie, nummer [proces-verbaalnummer 8] , pagina 23 e.v. van het doorgenummerde procesdossier.