Eiseres betwistte de door de gemeente Rotterdam vastgestelde WOZ-waarde van haar woning per 1 januari 2022, die was vastgesteld op €223.000. Zij stelde een hogere waarde van €283.000 voor. De gemeente handhaafde het lagere bedrag in het bestreden besluit. Tijdens de zitting erkende de gemeente dat de waarde op het door eiseres voorgestelde bedrag kan worden vastgesteld, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en de WOZ-waarde verhoogde.
De kern van het geschil betrof de proceskostenvergoeding. De gemeente stelde dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van eiseres een bijzonder geval was, waardoor de korting van 75% op de vergoeding van rechtsbijstandskosten volgens artikel 30a Wet WOZ van toepassing zou zijn. De rechtbank oordeelde dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet meer op no cure no pay basis werkte en dat er geen sprake was van een dergelijk bijzonder geval. Hierdoor werd de volledige proceskostenvergoeding toegekend.
Daarnaast werd vastgesteld dat de proceskosten voor vijf samenhangende zaken gezamenlijk werden berekend, waarbij een wegingsfactor werd toegepast. De rechtbank veroordeelde de gemeente tot vergoeding van het griffierecht, de proceskosten en de kosten van het taxatierapport. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd ingetrokken.
De uitspraak is gedaan door rechter C. Laukens en uitgesproken op 16 februari 2026. De uitspraak vervangt het vernietigde bestreden besluit en leidt tot een hogere aanslag onroerendezaakbelastingen.