ECLI:NL:RBROT:2026:1457

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _1507
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 36 PwArt. 36b PwArt. 6:19 AwbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten na verhuizing Rotterdam

Eiseres, een alleenstaande vrouw met een WIA-uitkering, verhuisde in mei 2024 naar Rotterdam en vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten. De aanvraag voor stofferingskosten werd aanvankelijk afgewezen, waarna het college een gedeeltelijke toekenning deed van €1.200,- op basis van de Globaliseringstabel in de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024.

Eiseres betoogde dat dit bedrag onvoldoende was vanwege hogere werkelijke kosten en prijsstijgingen, en dat het college ten onrechte geen gebruik maakte van haar afwijkingsbevoegdheid. De rechtbank oordeelde dat het college forfaitaire bedragen mag hanteren en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het toegekende bedrag ontoereikend was.

De rechtbank nam mee dat eiseres geen offertes over de volledige stoffering had overlegd en dat er goedkopere alternatieven mogelijk zijn. Ook was onvoldoende onderbouwd waarom zij geen stoffering uit haar vorige woning kon meenemen of een vergoeding kon vragen aan de opvolgende huurder.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, dat eiseres geen recht heeft op een hoger bedrag of terugbetaling van griffierecht en proceskosten, en bevestigde het bestreden besluit van het college.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1507

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. El Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D. Gogar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor inrichtingskosten. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 21 januari 2025 (primair besluit 1) heeft het college de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten afgewezen. Daartegen heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.
2.1.
Met het besluit van 4 februari 2025 (primair besluit 2) heeft het college, naar aanleiding van het bezwaarschrift tegen primair besluit 1, eiseres bijzondere bijstand toegekend voor stofferingskosten tot een bedrag van € 1.200,- in de vorm van een gift.
2.2.
Het bezwaarschrift gericht tegen primair besluit 1 heeft het college op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen primair besluit 2.
2.3.
Met het besluit van 12 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen primair besluit 1 gedeeltelijk gegrond en het bezwaar tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard. Het college heeft eiseres een proceskostenvergoeding toegekend van € 647,-.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het conceptbesluit van 5 februari 2025.
2.5.
Bij brief van 11 maart 2025 heeft het college de rechtbank meegedeeld dat het college in het kader van de voorlopige voorziening hangende bezwaar het conceptbesluit van 5 februari 2025 heeft toegestuurd. Dit is per abuis gebeurd. Het definitieve besluit is genomen op 12 februari 2025.
2.6.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college en zijn collega mr. A. Hielkema.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is een alleenstaande vrouw van 34 jaar. Zij ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Met ingang van 13 mei 2024 is eiseres verhuisd van Spijkenisse naar Rotterdam. Eiseres heeft destijds bij het college bijzondere bijstand aangevraagd voor de verhuis- en inrichtingskosten. De aanvraag is toen afgewezen, omdat eiseres ten tijde van de aanvraag nog niet woonachtig was in Rotterdam. Vervolgens heeft eiseres op 2 januari 2025 een aanvraag om bijzondere bijstand voor transportkosten en stofferingskosten ingediend. Voor stofferingskosten heeft zij een bedrag van € 2800,- aangevraagd. Eiseres is per 11 januari 2025 verhuisd binnen de gemeente Rotterdam in verband met een bedreiging. Er heeft toen een woningruil plaatsgevonden. De aanvraag voor transportkosten is vervolgens toegekend. De aanvraag om bijstand voor stofferingskosten is afgewezen (primair besluit 1). Naar aanleiding van het bezwaarschrift tegen primair besluit 1, heeft het college met primair besluit 2 alsnog aanleiding gezien bijzondere bijstand toe te kennen voor stofferingskosten tot een bedrag van € 1200,- in de vorm van een gift.
3.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. In hoofdstuk 4 van paragraaf 2 van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 (de Beleidsregels) is bepaald dat de hoogte van de bijzondere bijstand voor volledige in- of herinrichting van de woning wordt vastgesteld aan de hand van de Globaliseringstabel, zoals opgenomen in bijlage 1 van de Beleidsregels. Het college heeft de Globaliseringstabel toegepast waarin forfaitaire bedragen zijn opgenomen die geacht worden toereikend te zijn om een woning te stofferen. Deze bedragen zijn richtprijzen waarmee de betrokkene volgens het college in staat moet worden geacht de goedkoopste adequate voorziening te treffen. Op grond van de Globaliseringstabel is het maximumbedrag voor één persoon voor het stofferen van een woning € 1.200,-.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt dat het toegekende bedrag ontoereikend is om de woning van te stofferen. Volgens haar is een bedrag van € 2.800,- nodig. Eiseres stelt dat het college geen rekening houdt met prijsstijgingen. De werkelijke prijzen liggen hoger dan de prijslijst van de globaliseringstabel. Volgens eiseres heeft er geen correcte belangenafweging plaatsgevonden, zodat de nadelige gevolgen van de beslissing onevenredig zwaar wegen in verhouding tot het met de beslissing te dienen doel. Ten onrechte heeft het college, gezien de noodzaak van de verhuizing, het gegeven dat eiseres nog geen jaar eerder was verhuisd en derhalve al haar spaargeld reeds had opgemaakt en gelet op de ernstige bedreigingen als reden voor de verhuizing, geen gebruik gemaakt van haar inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een hoger bedrag dan in de Globaliseringstabel staat vermeld aan eiseres toegekend.
De wet- en regelgeving en rechtspraak
5. Participatiewet
Artikel 35 Pw Pro. Individuele en categoriale bijzondere bijstand
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
(…)
5.1.
Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024
Artikel 4.8 Inrichtingskosten en stofferingskosten
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van inrichting of stoffering als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de globaliseringstabel, bedoeld in bijlage 1 bij deze beleidsregels.
Globaliseringstabel
Huishoudgrootte Inrichtingskosten Stofferingkosten Totaal
1. volwassene, geen kind € 2.341,- € 1.200,- € 3.541,-
(…)
Het oordeel van de rechtbank
6. Uit vaste rechtspraak [1] volgt dat een bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, ter bepaling van de omvang van de noodzakelijke kosten onderscheidenlijk de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening, forfaitaire bedragen of richtprijzen zodanig vast te stellen dat de betrokkene daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopste adequate voorziening te treffen. Ondanks het voorgaande staat het de betrokkene vrij aannemelijk te maken dat de vergoeding in zijn geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke (extra) kosten.
6.1.
Volgens deze rechtspraak mag het college bij het toekennen van bijzondere bijstand voor stofferingskosten dus uitgaan van forfaitaire bedragen. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat het aan haar toegekende bedrag in haar geval ontoereikend is. Met het vaststellen van de Beleidsregels zijn de bedragen uit de Globaliseringstabel volgens verweerder ter zitting aanzienlijk verhoogd, waarmee rekening is gehouden met de inflatie in de afgelopen jaren. Het college mocht dus in beginsel uitgaan van het bedrag in de Globaliseringstabel.
7. Eiseres heeft gesteld dat het toegekende bedrag van € 1.200,- niet voldoende is om de goedkoopste adequate voorziening te treffen voor de stoffering. Eiseres heeft offertes
aangeleverd van laminaatvloeren inclusief ondervloer, plinten en legkosten van vier verschillende leveranciers. Hieruit blijkt dat de vloerbedekking niet aangeschaft en gelegd kan worden voor een bedrag lager dan € 2.000,-. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet met objectieve en verifieerbare stukken heeft onderbouwd of voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het college zich niet mocht baseren op de Globaliseringstabel en dat niet de conclusie kan worden getrokken dat het toegekende bedrag toereikend is voor eiseres om te voorzien in de goedkoopste adequate voorzieningen met betrekking tot stoffering. Eiseres heeft geen offertes voor de aan te schaffen verf en gordijnen in het geding gebracht en voorts niet onderbouwd dat de prijzen om de vloerbekleding aan te leggen, de muren te verven en gordijnen te plaatsen zijn getroffen door hoge inflatie. Het college heeft in het verweerschrift bovendien toegelicht dat er goedkopere opties zijn voor het kopen van materialen om laminaat te kunnen leggen en dat vloerbekleding ook tweedehands kan worden verkregen. Ook komt het de rechtbank voor dat bijvoorbeeld het leggen van tapijttegels goedkoper is dan laminaat. Verder heeft eiseres niet onderbouwd waarom zij geen vloerbedekking of gordijnen kon meenemen uit haar vorige woning. Ook had eiseres aan de opvolgende huurder een vergoeding kunnen vragen voor de achtergelaten stoffering in de oude huurwoning. Immers, de vloer en overige stoffering zoals de gordijnen in de oude woning waren nog geen jaar oud. Kortom, eiseres heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij met het toegekende bedrag niet in staat was om de goedkoopste adequate voorziening te treffen.
8. Eiseres heeft ten slotte nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel, omdat volgens haar de nadelige gevolgen van de beslissing onevenredig zwaar wegen in verhouding tot het met de beslissing te dienen doel. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat artikel 35, eerste lid van de Pw dwingendrechtelijk van aard is. Er bestaat geen ruimte om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. [2]
9. Niet is gebleken dat er dusdanig bijzondere omstandigheden zijn, als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb, dat het college zou moeten afwijken van haar beleid om eiseres een hoger bedrag toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.