ECLI:NL:RBROT:2026:1455

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4665
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024Art. 35 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor was- en slijtagekosten kleding en beddengoed

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor was- en slijtagekosten van kleding en beddengoed. Het college kende aanvankelijk een bedrag toe op basis van een medisch advies, maar verklaarde het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond. Eiser stelde dat het medisch advies onvolledig en onzorgvuldig was en dat hij recht had op een hoger bedrag vanwege zijn medische situatie.

De rechtbank oordeelde dat het college mocht afgaan op het medisch advies, waarin de arts had vastgesteld dat eiser onder 50% van categorie 3 viel, en dat er geen concrete aanwijzingen waren die twijfel aan de zorgvuldigheid of inhoud van het advies rechtvaardigden. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij hogere kosten had dan het toegekende bedrag.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter M.V. van Baaren op 17 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor was- en slijtagekosten wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4665

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. El Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor was- en slijtagekosten van kleding en/of beddengoed. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen
.Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor was- en slijtagekosten van kleding en/of beddengoed toegewezen.
2.1.
Met het besluit van 6 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. Zoals ter zitting is besproken, is de aanvraag weliswaar door zowel eiser als zijn echtgenote gedaan, is de besluitvorming ook aan beiden gericht en is het beroepschrift namens beiden ingediend, maar zien de besluitvorming en het beroepschrift materieel slechts op eiser, zodat de rechtbank zich in deze uitspraak slechts tot eiser richt.
4. Eiser heeft op 18 november 2024 een aanvraag bijzondere bijstand voor was- en slijtagekosten van kleding en/of beddengoed ingediend. Op het aanvraagformulier is door eiser aangegeven dat hij meerkosten heeft en dat hij verzoekt om een bedrag van € 153,-. Hierop heeft het college het primaire besluit genomen en daaraan een advies van de arts van het Team Sociaal Medische Advisering van 7 december 2020 (het medisch advies) ten grondslag gelegd. Uit dit medisch advies volgt dat er sprake is van meerkosten voor een bedrag van € 153,- per jaar (50% van categorie 3 van het Protocol voor was- en slijtagekosten). Er wordt een herbeoordeling na 5 jaar geadviseerd.
Het bestreden besluit
5. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op grond van het medisch advies aan eiser terecht op grond van de categoriale indeling € 153,- is toegekend. Volgens het college heeft eiser niet met verifieerbare gegevens onderbouwd dat zijn klachten zijn verergerd.
Het standpunt van eiser
6. Eiser betoogt dat het medisch advies onjuistheden bevat die aanleiding geven tot gerede twijfel aan het advies. Bovendien meent eiser dat, nu er geen informatie bij de behandelend sector is opgevraagd en eiser niet (fysiek) is gezien, er sprake is van een onvolledig en onzorgvuldig uitgevoerd onderzoek. Eiser stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende informatie is geraadpleegd voor het kunnen uitbrengen van een medisch advies. Uit het medisch advies blijkt volgens eiser niet waarom hij in categorie 3 is ingeschaald en waarom de hoogte van het toegekende bedrag is vastgesteld op een percentage van 50%. Eiser meent dat er in zijn geval sprake is van voortdurende incontinentie, dag en nacht, waarbij er nauwelijks sprake is van mogelijkheden tot opvang (eiser kan immers niet zelfstandig naar het toilet en kan zich ook niet zelfstandig omkleden). Eiser vindt dat het college zich niet aan de vergewisplicht heeft voldaan. Volgens eiser moet er primair een bedrag van € 75,- per maand aan bijzondere bijstand voor meerkosten slijtage- en waskosten kleding en beddengoed toegekend worden. Subsidiair betoogt eiser dat hij ingeschaald dient te worden in categorie 6 en derhalve een bedrag van € 561,- toegekend dient te krijgen. Eiser is van mening dat - gelet op de medische situatie van eiser - sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan hij hogere meerkosten heeft dan de in het beleid vermelde richtbedragen. Het toegekende bedrag van € 153,- staat dan ook niet in verhouding tot de meerkosten.
De wet- en regelgeving en rechtspraak
7. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 (Beleidsregels) kan het college bijzondere bijstand verlenen voor extra waskosten en extra kosten van slijtage van kleding of schoeisel, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Hieronder worden verstaan de kosten die zich voordoen wanneer vanwege een medische oorzaak meer slijtage van de kleding, schoeisel of beddengoed aan de orde is dan wel extra bewassing noodzakelijk is ten opzichte van wat gebruikelijk is, zo volgt uit artikel 5.1, tweede lid, van de Beleidsregels. Op grond van het vierde lid van dit artikel stelt het college de hoogte van de bijzondere bijstand vast aan de hand van de door GGD gehanteerde categorieën en bijbehorende kosten:
a. categorie 1 € 133,-;
b. categorie 2 € 230,-;
c. categorie 3 € 306,-;
d. categorie 4 € 408,-;
e. categorie 5 € 510,-;
f. categorie 6 € 561,-.
7.1.
Een bijstandverlenende instantie mag volgens vaste rechtspraak voor het bepalen van de omvang van de noodzakelijke kosten en de hoogte van de bijzondere bijstand forfaitaire bedragen of richtlijnen hanteren waarmee de betrokkene de goedkoopste adequate voorziening kan treffen. Daarnaast kan de betrokkene aannemelijk maken dat deze vergoeding in zijn of haar geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke (extra) kosten. Dit stelsel laat dus ruimte voor de afweging van individuele omstandigheden en is daarom niet in strijd met artikel 35 van Pro de Participatiewet. [1]
Het oordeel van de rechtbank
8. In het medisch advies is door de arts aangegeven dat er een noodzaak bestaat voor het verstrekken van bijzondere bijstand voor was- en slijtagekosten, omdat aannemelijk is dat er sprake is van meer dan algemeen gebruikelijke kosten voortvloeiend uit een handicap, ondanks - indien mogelijk - het treffen van preventieve maatregelen. Door de medische aandoening moet vaker worden gewassen met ook extra slijtage van kleding en beddengoed tot gevolg. Daarbij wordt geadviseerd om een jaarlijkse toekenningsperiode te hanteren. De arts heeft de meerkosten volgens categorie 3 voor 50% geïndiceerd. Ook is in het advies aangegeven dat herbeoordeling is geadviseerd na 5 jaar.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [2] mag het college bij de besluitvorming in beginsel uitgaan van de juistheid van een medisch advies, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de inhoud van dat advies of aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming ervan.
8.2.
Eiser betoogt dat sprake is van een onzorgvuldig en onvolledig onderzoek. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het college kon en mocht afgaan op hetgeen is neergelegd in het medisch advies. Hierin geeft de arts aan waarom eiser onder 50% van categorie 3 valt. Ook blijkt daaruit blijkt dat de arts een anamnese heeft verricht. Hij heeft geen lichamelijk onderzoek gedaan, omdat uit de beschikbare informatie duidelijk was wat de situatie van eiser was. Verder heeft er een oriënterend psychologisch onderzoek plaatsgevonden en is de problematiek nader geobjectiveerd door het stellen van gerichte vragen aan eiser en door middel van observatie. Er zijn geen aanvullende gegevens opgevraagd omdat er aanvullende medische informatie beschikbaar was gesteld. Op grond van dit onderzoek is geconcludeerd dat een aandoening van langdurige aard betreft die wordt bevestigd door het geneeskundig onderzoek. Daarnaast wordt in het advies opgemerkt dat verbetering niet is uitgesloten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het medisch advies of aan de inhoud daarvan aangevoerd, bijvoorbeeld aan de hand van een contra-expertise of informatie van een behandelend arts van eiser.
8.3.
Eiser heeft betoogd dat een hoger bedrag aan bijzondere bijstand toegekend dient te worden. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij meer kosten maakt dan het college aan bijzondere bijstand heeft toegekend. Hij is hierin niet geslaagd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door eiser niet specifiek is aangegeven welke materialen, verzorging of andere handelingen een hoger bedrag zouden rechtvaardigen.
8.4.
Het beroep tegen het bestreden besluit is, gezien het voorgaande, ongegrond.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 5 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:817.
2.Zie onder meer de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2823.