Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2823

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2016
Publicatiedatum
26 juli 2016
Zaaknummer
15/4983 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35, eerste lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor orthomoleculaire voedingssupplementen wegens gebrek aan medische noodzaak

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van orthomoleculaire voedingssupplementen, nadat reguliere medicatie niet effectief was gebleken en de kosten niet langer werden vergoed door zorgverzekeraar of belastingdienst. Het college wees de aanvraag af op grond van medisch advies van de GGD dat de supplementen niet noodzakelijk waren.

De rechtbank vernietigde eerdere besluiten en gaf het college opdracht opnieuw te beoordelen, waarbij specifiek moest worden vastgesteld of in de situatie van appellant sprake was van medische noodzaak. Na herhaalde afwijzingen en aanvullend medisch advies van een GGD-arts, die contact had opgenomen met de behandelend orthomoleculair arts, bleef het college bij haar standpunt.

De Raad oordeelt dat het advies van de GGD-arts zorgvuldig en individueel was en dat het college op goede gronden heeft geoordeeld dat de kosten niet als noodzakelijk in de zin van de WWB kunnen worden aangemerkt. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd wegens gebrek aan medische noodzaak.

Uitspraak

15/4983 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 juni 2015, 14/2043 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.C.R. de Lyon, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Lyon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, en verwijst voor het uitvoerige procesverloop naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1.
Appellant heeft op 4 november 2011 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van orthomoleculaire voedingssupplementen. Appellant is destijds naar eigen zeggen tot omstreeks 2001 onder behandeling geweest van een neuroloog. Omdat geen duidelijke diagnose kon worden gesteld (voor onder meer epileptische klachten), hij geen baat had bij reguliere medicijnen en/of daarvan negatieve bijwerkingen ondervond, heeft hij zich tot een orthomoleculair arts (Van der Vlies) gewend. Deze schrijft hem al jaren diverse orthomoleculaire voedingssupplementen voor. De reden voor de bijstandsaanvraag was dat deze kosten niet langer door de zorgverzekeraar werden vergoed en later ook niet meer door de Belastingdienst als aftrekpost werden geaccepteerd. Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten volgens medisch advies van de GGD niet noodzakelijk waren. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 maart 2012 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit heeft de rechtbank bij uitspraak van 24 januari 2013, 12/2129, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij diende te worden onderzocht of in de specifieke (medische) situatie van appellant kan worden vastgesteld dat voor het gebruik van de aan appellant voorgeschreven supplementen geen medische noodzaak bestaat.
1.2.
Bij besluit van 4 april 2013 heeft het college het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit heeft de rechtbank bij uitspraak van
14 november 2013, 13/2348, gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2013 vernietigd en nogmaals een opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarop heeft het college bij besluit van 21 februari 2014 het bezwaar ongegrond verklaard. Bij nader besluit van 5 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college, nu met inachtneming van een door de GGD-arts Timmerman uitgebracht medisch advies van 1 april 2014, het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2012 (nogmaals) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst het beroep tegen het besluit van 21 februari 2014 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot dat laatste heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het college thans aan de in haar uitspraak van 24 januari 2013 gestelde voorwaarden heeft voldaan en dat de noodzaak van de kosten van de onder 1.1 bedoelde supplementen niet is komen vast te staan.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de ongegrondverklaring van het beroep.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Een bijstandverlenend orgaan is gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over de (medische) noodzaak van bepaalde verstrekkingen of voorzieningen te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als de GGD. In dat kader dient het bijstandverlenend orgaan zich er wel van te vergewissen of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of het geen onjuistheden bevat en of het deugdelijk is gemotiveerd.
4.2.
Hoewel de advisering en daaropvolgende besluitvorming in deze zaak bepaald geen schoonheidsprijs verdient, oordeelt de Raad met de rechtbank, dat uiteindelijk aan de in 4.1 vermelde eisen is voldaan en voldoende grondslag aanwezig is voor het standpunt van het college dat ten tijde hier van belang geen medische noodzaak bestond voor het gebruik van orthomoleculaire voedingssupplementen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat thans
- anders dan in eerste instantie - het advies van de GGD door een arts is opgesteld en niet door een verpleegkundige, dat thans - anders dan aanvankelijk - de arts contact heeft opgenomen met de behandelend orthomoleculair arts Van der Vlies en niet heeft volstaan met verwijzing naar algemene medisch-wetenschappelijke literatuur. Tevens heeft de GGD-arts met zijn op de persoon van appellant toegespitste vraagstelling van 27 december 2013 aan Van der Vlies voldoende blijk gegeven van de in dit kader vereiste individuele benadering, welke tot een op de situatie van appellant toegesneden beantwoording op 4 maart 2014 heeft geleid. In deze laatste verklaring vermeldt Van der Vlies dat de absences van appellant recentelijk zijn verminderd, wat mogelijk kan worden gerelateerd aan recent voorgeschreven hoog gedoseerd methylcobalamine (vitamine B12). De conclusie van de GGD-arts dat daarmee de medische werking en noodzaak van de orthomoleculaire voedingssupplementen bij appellant niet is komen vast te staan, is zeker niet in tegenspraak met het antwoord van Van der Vlies en kon door het college ten grondslag worden gelegd aan het standpunt dat geen sprake was van kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant de door hem gestelde negatieve bijwerkingen van reguliere medicijnen zowel uit het verleden als van recente datum niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd. Dit klemt temeer nu niet op voorhand kan worden uitgesloten dat sinds 2001 in het reguliere circuit medicijnen op de markt zijn verschenen die wellicht minder negatieve bijwerkingen hebben dan de destijds door reguliere artsen voorgeschreven medicatie.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het college op goede gronden heeft geoordeeld dat de door appellant, op circa € 150,- per maand, gestelde kosten van orthomoleculaire supplementen niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB zijn aan te merken en dat hem daarvoor dus terecht geen bijzondere bijstand is toegekend.
4.4.
Uit 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal dan ook worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en G.M.G. Hink en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) A. Stuut

HD