ECLI:NL:RBROT:2026:1340

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4282
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 16 PwArt. 4.8 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten na gewenste verhuizing

Eiseres, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, verhuisde bewust van Zwolle naar Rotterdam vanwege de wens voor een grotere woning. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten, omdat zij bij de verhuizing geen meubels had en slechts met twee koffers kwam.

Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing voorzienbaar was en de kosten van inrichtingsgoederen als incidentele, algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden beschouwd die uit het bijstandsniveau moeten worden voldaan, bijvoorbeeld door reservering. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijzondere bijstand rechtvaardigen.

Eiseres voerde aan dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel had geschonden, de hardheidsclausule had moeten toepassen en dat het evenredigheidsbeginsel en de maatschappelijke zorgplicht waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat het college zorgvuldig had gehandeld, voldoende had gemotiveerd en dat de verhuizing een bewuste keuze was zonder acute noodzaak.

De rechtbank verwierp de beroepsgronden en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen bijzondere bijstand en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.V. van Baaren op 13 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4282

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten op grond van de Pw. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is een alleenstaande vrouw met twee minderjarige kinderen. Zij verbleef tot eind 2024 met haar minderjarige kinderen in een woning in Zwolle. Volgens haar was deze woning qua omvang onvoldoende om op een verantwoorde manier invulling te geven aan haar gezinsleven. Zij is daarom actief op zoek gegaan naar geschikte, grotere woonruimte. Uiteindelijk heeft zij via Woonstad Rotterdam een woning toegewezen gekregen in Rotterdam. In het kader van deze verhuizing heeft eiseres zich per december 2024 gevestigd op het adres in Rotterdam. Op dat moment betrof het een woning zonder inrichting. Volgens opgave van eiseres beschikte zij bij de verhuizing niet over meubilair of andere huisraad. Zij heeft aangegeven enkel met twee koffers naar Rotterdam te zijn gekomen, samen met haar minderjarige kinderen. Op 16 december 2024 heeft eiseres aanvraag om bijzondere bijstand gedaan voor inrichtingskosten. De aanvraag ziet op een tegemoetkoming in de kosten van woninginrichting, waaronder in elk geval begrepen de aanschaf van meubilair en gebruiksgoederen voor de woning. Met het besluit van 20 december 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen.
4. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de gevraagde kosten voor vervanging van huisraad incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Slechts wanneer de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, kan dit een aanleiding zijn om bijzondere bijstand te verlenen. Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Hiervan is volgens het college in het geval van eiseres geen sprake, omdat de kosten van vervanging van de duurzame gebruiksgoederen voorzienbaar waren, nu de verhuizing naar Rotterdam het gevolg is geweest van een bewuste keuze van eiseres om te zoeken naar een grotere woning. Hoewel de woonsituatie in Zwolle als krap werd ervaren, is niet gebleken van acute ontruiming, overmacht of een verplichte verhuizing. Eiseres heeft zich actief ingeschreven in verschillende gemeenten, waaronder Rotterdam, en heeft uiteindelijk een woning geaccepteerd buiten haar toenmalige regio. Daarmee is sprake van een gewenste, en dus ook voorzienbare, verhuizing. Eiseres had moeten reserveren voor de kosten. Men wordt geacht om vanuit een uitkering ter hoogte van de bijstandsnorm te kunnen sparen. Er is geen sprake van zeer dringende redenen om de aanvraag toch toe te wijzen, aldus het college.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres betoogt dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Het college heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake was van een “gewone voorzienbare” verhuizing. Eiseres stelt dat het college een objectief en op feiten gebaseerd onderzoek had moeten verrichten naar de draagkracht en omstandigheden van eiseres. Verder betoogt eiseres dat het college de motiveringsplicht heeft geschonden. Eiseres is als alleenstaande moeder zonder sociaal netwerk, met een ziektewetuitkering, niet in staat om te reserveren voor de inrichtingskosten. Het ontbreken van een inhoudelijke, op de persoon toegesneden belangenafweging getuigt van een gebrekkige motivering, aldus eiseres. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Tot slot betoogt eiseres dat het evenredigheidsbeginsel en de maatschappelijke zorgplicht zijn geschonden. Eiseres is een alleenstaande moeder van twee kinderen die bij haar verhuizing slechts twee koffers aan persoonlijke bezittingen heeft kunnen meenemen. Zij heeft geen partner, familie of netwerk in Rotterdam en leeft van een uitkering, waarmee zij nauwelijks in haar dagelijkse levensonderhoud kan voorzien. Sparen voor inrichtingskosten was dan ook feitelijk onmogelijk. Volgens eiseres heeft het college nagelaten om te bezien of bij wijze van minimaal maatwerk ten minste een lening had kunnen worden verstrekt in plaats van een volledige afwijzing.
De wet- en regelgeving en rechtspraak
6. Artikel 35, eerste lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
7. Artikel 16, eerste lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, het college, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
8. Artikel 4.8 van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 (de Beleidsregels) bepaalt in het eerste lid, dat het college bijzondere bijstand kan verlenen voor de kosten van inrichting of stoffering als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
9. Inrichtingskosten zijn kosten die, als zij noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodieke dan wel incidentele algemene kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend als de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld. [1]
Het oordeel van de rechtbank
10. Niet in geschil is dat de kosten zich in dit geval voordeden en noodzakelijk waren. In geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden en in verband daarmee of de kosten uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zicht terecht op het standpunt gesteld dat de kosten voor woninginrichting voorzienbaar waren. De verhuizing naar Rotterdam is een bewuste keuze van eiseres geweest. Zoals het college in het bestreden besluit heeft overwogen, is niet gebleken dat eiseres is verhuisd vanwege een acute ontruiming, overmacht of verplicht was te verhuizen. Ze heeft zich in verschillende gemeenten actief ingeschreven en uiteindelijk een woning buiten haar toenmalige regio geaccepteerd. Hoe begrijpelijk de wens van eiseres ook was, het is een gewenste verhuizing geweest vanwege het toekomstperspectief dat eiseres voor haarzelf en haar kinderen wilde realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank is van schending van het motiveringsbeginsel niet gebleken.
12. Ook van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake. Het college heeft het besluit met de vereiste zorgvuldigheid genomen. Het college heeft de door eiseres bij haar aanvraag en in bezwaar aangedragen feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en vervolgens de bij het besluit betrokken belangen afgewogen. Daarbij is rekening gehouden met enerzijds de persoonlijke omstandigheden van eiseres en anderzijds het algemeen belang dat is gemoeid met uitgaven vanuit de Pw.
13. Het college heeft de hardheidsclausule niet hoeven toepassen nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Het ontbreken van meubels en het feit dat eiseres met enkel twee koffers verhuisde, hoe schrijnend ook op persoonlijk vlak, vormen geen juridische grond voor toepassing van de hardheidsclausule.
14. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. De strekking van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van een besluit, maar het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen. Daarvan is hier geen sprake. De omstandigheid dat eiseres niet heeft kunnen reserveren voor haar inrichtingskosten, als gevolg van een eigen keuze is verhuisd naar Rotterdam vanuit Zwolle en geen netwerk in Rotterdam heeft, is geen bijzondere omstandigheid die meebrengt dat toepassing van de wettelijke bepalingen zozeer in strijd zijn met de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege dient te blijven. Er is geen aanleiding om te oordelen dat de nadelige gevolgen van het besluit voor eiseres onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
15. Het college heeft de bijzondere bijstand niet hoeven te verstrekken in de vorm van een lening nu eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de bijzondere bijstand. Verder is niet gebleken of eiseres onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden om goederen te kopen die in termijnen kunnen worden afbetaald of dat zij elders een lening kon aangaan om goederen te kopen voor haar woning.
16. Haar medische redenen of een ziekte waaraan eiseres zou lijden heeft zij niet onderbouwd met stukken. Hierover is ook niets vermeld in het aanvraagformulier en eiseres heeft hierover niets aangegeven tijdens de hoorzitting in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1152.