ECLI:NL:RBROT:2026:1231

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/10/699523 / HA ZA 25-402
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:767 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid bij bouw woning uit zeecontainers ondanks schending facturering

Eisers gaven opdracht aan een aannemingsbedrijf om een woning uit zeecontainers te bouwen. De aannemer ging failliet voordat de woning was afgebouwd. Eisers vorderden schadevergoeding van de bestuurders van de aannemer wegens het factureren van meer dan de voortgang van het werk rechtvaardigde en wegens persoonlijke toezeggingen om de woning af te maken.

De rechtbank stelde vast dat de aannemer in strijd met artikel 7:767 BW Pro meer had gefactureerd dan de waarde van het werk, maar dat de bestuurders daarvan geen ernstig verwijt kon worden gemaakt. Eisers konden onvoldoende concreet aantonen dat de bestuurders wisten of hadden moeten begrijpen dat de aannemer haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden.

Ook werden de verklaringen van een bestuurder over het afmaken van de woning niet uitgelegd als een persoonlijke toezegging. De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde eisers in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eisers in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK RotterdaM

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/699523 / HA ZA 25-402
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

beiden te Dordrecht,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. V.P. Melens,
tegen

1.[gedaagde 1],

te Dordrecht,
2.
[gedaagde 2],
te Sliedrecht,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. J. Smael.

1.De zaak in het kort

[eisers] hebben [naam bedrijf] opdracht gegeven om een woning te bouwen uit zeecontainers. [naam bedrijf] is failliet gegaan en heeft de woning niet afgebouwd. [eisers] vorderen schadevergoeding van [gedaagden], de bestuurders van [naam bedrijf]. [eisers] stellen dat [gedaagden] ernstig verwijtbaar hebben gehandeld, doordat zij [naam bedrijf] meer hebben laten declareren dan de voortgang van de bouw rechtvaardigde (artikel 7:767 BW Pro). [eisers] vorderen ook schadevergoeding, omdat [gedaagden] persoonlijk zouden hebben toegezegd dat de woning zou worden afgebouwd. De rechtbank wijst de vorderingen af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 april 2025 met producties 1-15;
- de conclusie van antwoord van 30 juli 2025 met producties 1-5;
- de zittingsagenda van 27 november 2025;
- productie 16 en 17 van [eisers];
- productie 6 van [gedaagden];
- de spreekaantekeningen van [eisers] voor de mondelinge behandeling van 8 januari 2026;
- de mondelinge behandeling op 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagden] zijn tot 4 november 2022 (indirect) aandeelhouder en statutair bestuurder geweest van [naam bedrijf]
3.2.
[naam bedrijf] dreef een aannemingsbedrijf.
3.3.
[naam bedrijf] heeft zich verbonden om voor [eisers] een woning te bouwen uit zeecontainers. [eisers] hebben de opdracht daartoe aan [naam bedrijf] verleend als natuurlijke personen die niet handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
3.4.
De bouw van de woning werd in twee fases verdeeld: de ruwbouw en de afbouw. Voor de ruwbouwfase (ook aangeduid als “Fase 1”) hebben partijen op 4 oktober 2019 een aannemingsovereenkomst gesloten. Daarin zijn partijen voor Fase 1 een aanneemsom van € 201.100,00 overeengekomen.
3.5.
Onderdeel van deze aannemingsovereenkomst was een termijnstaat, waarop de negen termijnen zijn gespecificeerd waarin [eisers] de aanneemsom voor Fase 1 van € 201.100,00 moesten betalen:
3.6.
In maart 2020 is [naam bedrijf] met de bouw begonnen.
3.7.
Tussen 21 maart 2020 en 25 augustus 2020 heeft [naam bedrijf] acht facturen gestuurd. De specificaties van de bedragen op die facturen verwijzen naar de termijnstaat; het zijn veelal deelbetalingen op de overeengekomen termijnbedragen. [eisers] hebben deze facturen betaald.
3.8.
Op of omstreeks 15 september 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eisers] en [gedaagde 1]. Dat gesprek is door [eisers] heimelijk opgenomen. De opname duurt 54 minuten. In dit gesprek heeft [gedaagde 1] onder meer en samengevat het volgende verklaard. [naam bedrijf] heeft financiële problemen. Een beoogde kapitaaldeelneming door Van Zet Staal, de grootste crediteur, niet is doorgegaan. Er is een andere financier gevonden die alleen wil instappen indien een crediteurenakkoord wordt bereikt, maar Van Zet Staal ligt dwars. Als het akkoord niet tot stand komt, gaat [naam bedrijf] failliet. In dat geval zal het bedrijf mogelijk doorstarten, al dan niet doordat Van Zet Staal of een andere derde de onderneming uit het faillissement koopt. Op enig moment tijdens het gesprek zegt [gedaagde 1]: “jullie woning wordt linksom of rechtsom afgemaakt” en enige tijd later: “hoe dan ook, jullie woning wordt afgemaakt” en ook: “jullie huis moet gewoon worden afgemaakt”. Het gesprek eindigt met de toezegging van [gedaagde 1] dat hij [eisers] van de ontwikkelingen op de hoogte zal houden.
3.9.
[eisers] hebben nog twee gesprekken opgenomen die omstreeks dezelfde periode hebben plaatsgehad. Die gesprekken hadden een vergelijkbare strekking.
3.10.
Bij vonnis van 27 oktober 2020 is [naam bedrijf] in staat van faillissement verklaard. Fase 1 was op dat moment nog niet voltooid. De curator heeft de bouwplaats bezocht en heeft de stand van het werk beoordeeld. Op 29 oktober 2020 heeft [naam bedrijf] op verzoek van de curator nog een factuur gestuurd van € 9.000,00 inclusief btw. Ook die factuur is betaald. [eisers] hebben in totaal € 183.149,98 inclusief btw aan [naam bedrijf] betaald.
3.11.
De curator heeft de aannemingsovereenkomst niet gestand gedaan. Van een doorstart is het niet gekomen. [eisers] hebben hun vorderingen bij de curator ingediend, maar zij hebben geen uitkering ontvangen.
3.12.
[eisers] hebben de woning door derden laten voltooien.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 107.587,87, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[eisers] hebben aan de vordering het volgende ten grondslag gelegd. [naam bedrijf] heeft facturen gestuurd die niet correspondeerden met de voortgang van de bouw. Dat is in strijd met artikel 7:767 BW Pro. Zo kon scheefgroei ontstaan en zijn [eisers] blootgesteld aan een te groot verhaalsrisico. [gedaagden] valt hiervan in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders een ernstig verwijt te maken. [gedaagden] zijn op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk naast [naam bedrijf] aansprakelijk voor de schade die [eisers] als volgt begroten. [eisers] hebben [naam bedrijf] € 183.149,98 betaald. Het werk had op de datum van het faillissement een waarde van € 107.500,00. Het verschil bedraagt € 75.649,98.
4.3.
[gedaagden] hebben bovendien persoonlijk toegezegd dat Fase 1 voor de overeengekomen aanneemsom van € 201.100,00 zou worden voltooid. Zij zijn tekortgekomen in de nakoming van die verbintenis en zij zijn daardoor schadeplichtig. [eisers] hebben € 31.937,89 meer moeten betalen aan derden om Fase 1 te laten voltooien. De totale schade bedraagt dus € 75.649,98 + € 31.937,89 = € 107.587,87.
4.4.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De “scheefgroeivordering” wordt afgewezen
5.1.
Artikel 7:767 BW Pro ziet op de opdracht tot de bouw van een woning door een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dat artikel bepaalt – kortweg - dat de opdrachtgever slechts kan worden verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw of met de waarde van de aan hem overgedragen goederen. Het teveel betaalde geldt als onverschuldigd betaald. Deze bepaling is gericht tot de aannemer en dat is in dit geval [naam bedrijf].
5.2.
Voor aansprakelijkheid van bestuurders ([gedaagden]) naast de vennootschap ([naam bedrijf]) kan grond bestaan als een bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen [1] .
[naam bedrijf] heeft artikel 7:767 BW Pro geschonden
5.3.
[eisers] hebben aangevoerd dat het werk, voor zover het door [naam bedrijf] was voltooid, een waarde had van € 107.500,00 inclusief btw, terwijl ze daarvoor € 183.149,98 inclusief btw hebben betaald. [eisers] hebben hun stelling dat het werk een waarde had van € 107.500,00 onderbouwd met een rapport van EMN van 15 februari 2021.
5.4.
Dat [eisers] € 183.149,98 hebben betaald staat vast. [gedaagden] hebben echter betwist dat dat bedrag niet bij benadering overeenstemde met de voortgang van de bouw of met de waarde van de aan hen overgedragen goederen. [gedaagden] hebben hun betwisting als volgt onderbouwd. [naam bedrijf] heeft facturen gestuurd in overeenstemming met de termijnstaat die is overeengekomen. [naam bedrijf] heeft de werkzaamheden die op de facturen zijn vermeld, ook daadwerkelijk verricht. [eisers] waren intensief bij de bouw betrokken en hielden de voortgang nauwgezet bij. [eiser 2] is zelf werkzaam in de aannemerij en hij heeft daartoe de vereiste kennis en ervaring. De waardering van EMN klopt niet. Zaken die volgens EMN ontbreken, zijn ook niet in rekening gebracht. Voor de kozijnen heeft [naam bedrijf] een aanbetaling verricht van € 11.000,00 inclusief btw en die is aan [eisers] doorbelast. De laatste factuur van € 9.000,00 inclusief btw is gestuurd op verzoek van de curator, nadat die zelf ter plaatste de voortgang van het werk had beoordeeld. De waarde van het werk is verminderd doordat de leverancier van de gevelbekleding (Vego) de reeds op de bouwplaats geleverde, maar nog niet geplaatste gevelbekleding voor een bedrag van € 13.039,14 inclusief btw eigenmachtig en zonder recht van de bouwplaats heeft weggenomen.
5.5.
De rechtbank oordeelt dat [naam bedrijf] artikel 7:767 BW Pro heeft geschonden. Daartoe is het volgende redengevend. Artikel 7:767 BW Pro is van dwingend recht. De bepaling beoogt de voorfinancieringsverplichting van de consument bij de bouw van zijn woning te beperken. Dat verkleint het risico dat de consument achterblijft met een onverhaalbare vordering op de aannemer, indien die aannemer, zoals [naam bedrijf] in dit geval, het werk niet afmaakt en geen verhaal biedt. Ook een natuurlijk persoon zoals [eiser 2], die beschikt over relevante kennis en ervaring en die intensief bij de bouw betrokken is, geniet bescherming op grond van artikel 7:767 BW Pro.
5.6.
Anders dan [gedaagden] hebben aangevoerd, is niet voldoende dat [naam bedrijf] de werkzaamheden heeft verricht die op de termijnstaat en de facturen staan. Hoewel met “de waarde van de aan de opdrachtgever overgedragen goederen” met name wordt gedoeld op de grond [2] , is “de voortgang van de bouw” niet los te zien van de waarde van het bouwwerk dat tot stand is gebracht. [naam bedrijf] heeft op de termijnstaat aan de daar omschreven werkzaamheden een bedrag toegekend, maar dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat na het afronden van die werkzaamheden ook een werk met een waarde gelijk aan dat bedrag tot stand is gekomen. Dat blijkt in dit geval althans niet zo te zijn. [gedaagden] hebben de met een waardering van EMN onderbouwde stelling van [eisers] dat het werk een waarde had van € 107.500,00 onvoldoende concreet betwist. De enkele verklaring van [gedaagden] dat zij op basis van fotomateriaal uit de periode van de bouw een andere mening zijn toegedaan dan EMN is daarvoor onvoldoende. De waarde die EMN heeft begroot, dient niet vermeerderd te worden met het bedrag dat op de kozijnen is aanbetaald, want die kozijnen zijn geen onderdeel geworden van het werk en niet aan [eisers] overgedragen. Dat ligt mogelijk anders voor de gevelbekleding. [gedaagden] hebben onbetwist gesteld dat de gevelbekleding zonder eigendomsvoorbehoud op de bouwplaats was geleverd. Ook indien de waarde van het werk wordt opgehoogd met het bedrag dat voor de gevelbekleding is betaald en de factuur van € 9.000,00 die op verzoek van de curator is gestuurd buiten beschouwing wordt gelaten, is het verschil tussen de waarde en hetgeen [eisers] aan [naam bedrijf] hebben betaald € 53.610,84. Dat verschil bedraagt 33% van wat er is betaald en het valt buiten de bandbreedte die met de woorden “bij benadering” is toegelaten.
[gedaagden] is hiervan geen ernstig verwijt te maken
5.7.
[gedaagden] zijn echter alleen naast [naam bedrijf] aansprakelijk voor de schade die [eisers] hebben geleden, indien hun een ernstig verwijt gemaakt kan worden van de schending van artikel 7:767 BW Pro door [naam bedrijf]. [eisers] hebben in dit verband het volgende gesteld. [gedaagden] hebben een onjuist beeld geschetst van de voortgang van de bouw. [gedaagden] wisten in mei/ juni 2020 dat [naam bedrijf] in zwaar weer was terechtgekomen en zij hebben [eisers] desondanks facturen laten betalen. Hierdoor hebben [gedaagden] [eisers] bewust blootgesteld aan een hoger verhaalsrisico. Pas in september 2020 hebben [gedaagden] [eisers] op de hoogte gesteld van de financiële problemen van [naam bedrijf]. Volgens de curator is sprake geweest van onbehoorlijk bestuur, doordat werken zijn aangenomen zonder deugdelijke voorcalculaties en zonder het bijhouden van een deugdelijke projectadministratie.
5.8.
[gedaagden] hebben betwist dat zij een verkeerd beeld hebben geschetst van de voortgang van de bouw. [eisers] waren intensief bij de bouw betrokken en hebben de voortgang voortdurend zelf gevolgd. Het is juist dat [naam bedrijf], net als andere bouwbedrijven, te maken heeft gekregen met een grote stijging van de bouwkosten en vertragingen als gevolg van de coronapandemie. [naam bedrijf] is bezig geweest met een herstructurering en er was eind september 2020 bijna een akkoord. Pas toen dat akkoord toch niet rond kwam, is in oktober 2020 besloten om het eigen faillissement aan te vragen. [gedaagden] hebben zich tot dat moment ingespannen om de woning af te maken. Zij hebben de onderaannemers die aan de woning werkten tot de laatste cent betaald en van het geld van [eisers] bestellingen gedaan ten behoeve van de woning, zoals de kozijnen en de gevelbekleding. [gedaagden] hebben er ook op gewezen dat de curator weliswaar het standpunt heeft ingenomen dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur, maar dat dat in rechte niet is komen vast te staan. [gedaagden] hebben een schikking getroffen met de curator zonder aansprakelijkheid te erkennen, aldus [gedaagden]
5.9.
De rechtbank oordeelt dat [eisers] tegenover de betwisting van [gedaagden] onvoldoende hebben gesteld om te oordelen dat [gedaagden] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De stelling dat [gedaagden] [eisers] “bewust” hebben blootgesteld aan een hoger verhaalsrisico dan op grond van artikel 7:767 BW Pro was toegestaan is onvoldoende uit de verf gekomen. Weliswaar is uit een waardering door EMN
achterafgebleken dat de waarde van het werk en de overgedragen goederen minder bedroeg dan wat [eisers] hebben betaald, maar [eisers] hebben onvoldoende concreet gesteld dat [gedaagden] [naam bedrijf] werkzaamheden zouden hebben laten factureren, terwijl zij wisten of behoorden te weten dat [naam bedrijf] de woning niet zou afbouwen en geen verhaal zou bieden. [gedaagden] hebben in dit verband aangevoerd dat de declaraties van [naam bedrijf] overeenstemden met de overeengekomen termijnenstaat en de verrichte werkzaamheden, hetgeen [eisers] niet voldoende hebben weersproken. Weliswaar heeft [naam bedrijf] een aanbetaling op de kozijnen aan [eisers] doorbelast in strijd met artikel 7:767 BW Pro, maar het verrichten van een dergelijke aanbetaling wijst (juist) niet op wetenschap dat de woning niet afgebouwd zou worden. Uit de correspondentie en de door [eisers] opgenomen gesprekken komt ook het beeld naar voren dat [gedaagden] zich hebben ingespannen om [naam bedrijf] de woning af te laten maken, ondanks de financiële moeilijkheden waarin [naam bedrijf] zich inmiddels bevond. Dat die financiële moeilijkheden zo ernstig waren dat [gedaagden] eerder dan medio september 2020 hadden moeten begrijpen dat dat mogelijk niet zou lukken, hebben [eisers] niet gesteld. Hooguit zijn [gedaagden] over de mogelijkheden om de woning af te maken te optimistisch geweest, maar dat is niet ernstig verwijtbaar. Daartoe is ook niet voldoende dat de curator zich op enig moment op het standpunt heeft gesteld dat [naam bedrijf] geen deugdelijke projectadministratie heeft bijgehouden. [eisers] hebben niet gesteld op welke wijze dat de bouw van hun woning zou hebben geraakt.
5.10.
[eisers] hebben nog gesteld dat [gedaagden] ook van het handelen namens [naam bedrijf] bij aangaan van de aannemingsovereenkomst voor Fase 1 een ernstig verwijt kan worden gemaakt (de onder (i) bedoelde gevallen). [eisers] hebben in dit verband aangevoerd dat [gedaagden] bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst onvoldoende zouden hebben toegelicht dat het bouwen van een woonhuis uit zeecontainers experimenteel was. [gedaagden] hebben tijdens de mondelinge behandeling onbetwist verklaard dat zij op het moment dat zij de aannemingsovereenkomst aangingen reeds enkele vergelijkbare projecten succesvol hadden afgerond. Wat hiervan ook zij, dat [gedaagden] bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst wisten of redelijkerwijs moesten begrijpen dat [naam bedrijf] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade, hebben [eisers] niet voldoende concreet gesteld.
De “toezeggingsvordering” wordt afgewezen
5.11.
[eisers] hebben hun stelling dat [gedaagden] een eigen verplichting op zich hebben genomen om Fase 1 af te ronden tegen de met [naam bedrijf] overeengekomen aanneemsom gebaseerd op de verklaringen van [gedaagde 1] tijdens de gesprekken op of omstreeks 15 september 2020.
5.12.
[gedaagden] hebben betwist dat [eisers] de woorden van [gedaagde 1] mochten uitleggen als een toezegging van [gedaagden] om de aannemingsovereenkomst zelf gestand te doen.
5.13.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] de verklaring van [gedaagde 1] niet mochten opvatten als een toezegging dat [gedaagden] zelf de aannemingsovereenkomst gestand zouden doen, indien [naam bedrijf] failliet zou gaan. [gedaagde 1] deed zijn verklaringen binnen de context van een open gesprek, waarin partijen de verschillende mogelijke scenario’s bespraken. Die scenario’s omvatten een herfinanciering van [naam bedrijf] na een crediteurenakkoord en een doorstart vanuit een faillissement, waarbij als mogelijke financiers en kopers van de activiteiten van [naam bedrijf] verschillende partijen de revue hebben gepasseerd, inclusief [eisers] zelf en mensen uit hun netwerk. Uit het gesprek blijkt dat de toekomst van [naam bedrijf] en haar activiteiten onzeker was. Onder die omstandigheden mochten [eisers] er niet van uitgaan dat [gedaagde 1] de wil had om [gedaagden] de verplichtingen van [naam bedrijf] over te laten nemen of te laten garanderen met persoonlijke aansprakelijkheid als voorzienbaar gevolg.
Slotsom
5.14.
De slotsom is dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen.
[eisers] moeten de proceskosten betalen
5.15.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
griffierecht
2.723,00
salaris advocaat
3.858,00
(2 punten x tarief V)
nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.759,00
5.16.
De veroordeling in de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde in zoverre kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
6.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 6.759,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
[3669/106]

Voetnoten

1.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/X).
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23 095, nr. 3, p. 39.