3.3.1.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij op 13 juli 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in zijn rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De bewezenverklaring van feit 1 primair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever
Op 13 juli 2025 in Rotterdam ben ik van achteren neergestoken. In het ziekenhuis bleek ik een klaplong te hebben.
2.
Verklaring van de verdachte
Ik heb een beweging met mijn hand gemaakt met een mes.
3.
Proces-verbaal politie
Op zondag 13 juli 2025 omstreeks 05:19 uur vond er in de Kruiskadehof te Rotterdam een steekpartij plaats. De aanwezige politieambtenaren troffen direct na het incident in en rondom de Kruiskadehof meerdere personen waaronder het [slachtoffer] en de verdachte Freire aan. Het slachtoffer bleek een verwonding in zijn rug te hebben. In verband met dit incident werden bij meerdere particulieren camerabeelden gevorderd en bekeken.
(…)
Ik zag dat [slachtoffer] ten val kwam. Ik zag dat Freire een mes in zijn rechterhand had. Hij maakte met zijn rechterarm van boven naar beneden een stekende beweging richting de rug van [slachtoffer].
4.
Kennisgeving van inbeslagnemingKruiskadehof Rotterdam op 13 juli 2025: naar aanleiding van een steekincident.
Goednummer: [nummer 1]
Object: steekwapen (mes)
Spoor identificatienr: [nummer 2]
5.
DeskundigenverslagSIN: [nummer 2], omschrijving: mes
Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan DNA-onderzoek.
[SIN-nummer 1]: bloedspoor rechterzijde lemmet
[SIN-nummer 2]: bloedspoor rechterzijde heft
[SIN-nummer 3]: heft
[SIN-nummer 1]
bloedspoor rechterzijde lemmet
DNA kan afkomstig zijn van:
Minimaal één persoon: [slachtoffer]
Bewijskracht: meer dan 1 miljard
[SIN-nummer 2]
bloedspoor rechterzijde heft
DNA kan afkomstig zijn van:
Minimaal één persoon: [slachtoffer]
Bewijskracht: meer dan 1 miljard
[SIN-nummer 3]
heft
DNA kan afkomstig zijn van:
Minimaal twee personen:
- [verdachte]
Bewijskracht: meer dan 1 miljard
- minimaal één andere persoon Bewijskracht: n.v.t.
6.
Schriftelijk stuk
Medische informatie (FARR) [slachtoffer]
Opname Erasmus MC: 13-7-2025 t/m 16-7-2025
Patiënt werd opgenomen na een steekverwonding in de rug waarbij een bloeding van een slagader bij 1 van de ribben was ontstaan.
Steekverwonding in de borstkas is potentieel dodelijk.
3.3.2.Bewijsmotivering
In de nacht van 13 juli 2025 raakte de verdachte betrokken in een vechtpartij tussen twee groepen mannen. Tijdens die vechtpartij heeft de verdachte de aangever met een mes gestoken in zijn bovenrug, terwijl de aangever voorover op de grond lag. Door deze steekpartij heeft de aangever potentieel levensbedreigend letsel opgelopen.
De verdachte heeft hierover verklaard dat hij wel een zwaaiende beweging heeft gemaakt met een mes in zijn hand maar dat het niet de bedoeling was om de aangever te raken. De rechtbank volgt, gezien deze verklaring, de verdediging dat vol opzet op de dood niet kan worden bewezen. Vervolgens is de vraag of kan worden vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangever heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
Door de aangever in zijn bovenrug te steken heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de aangever zou komen te overlijden. Het bovenlichaam is immers bij uitstek een kwetsbaar deel van het lichaam, waar zich meerdere vitale organen – waaronder de longen – bevinden. Dat de aanmerkelijke kans op de dood bestond, volgt ook uit de FARR-verklaring, waarin staat dat het letsel potentieel levensbedreigend was. De gedragingen van de verdachte, zoals die hierboven zijn beschreven, kunnen bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden aangemerkt dan als zozeer gericht op dit gevolg dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood zou leiden, ook heeft aanvaard.
Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.