ECLI:NL:RBROT:2026:112

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/8429
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor het laten vervoeren van kuikens met onvoldoende vloeroppervlak en onnodig lijden

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 13 januari 2026, in de zaak tussen Oort Pluimveehouderij V.O.F. en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, wordt een boete van € 1.275,- besproken die aan eiseres is opgelegd voor een overtreding van de Wet Dieren. De rechtbank oordeelt dat eiseres de verweten overtreding heeft begaan, maar dat de boete vanwege tijdsverloop gematigd dient te worden. De zaak betreft het vervoer van kuikens waarbij onvoldoende vloeroppervlak beschikbaar was, wat leidde tot letsel en onnodig lijden van de dieren. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van de minister, die de boete handhaafde. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 28 november 2025, waarbij zowel de gemachtigde van eiseres als de gemachtigde van verweerder aanwezig waren. De rechtbank concludeert dat de boete terecht is opgelegd, maar dat deze verder gematigd moet worden tot € 1.147,50, rekening houdend met het tijdsverloop en de omstandigheden van de zaak. Eiseres krijgt het griffierecht vergoed en de proceskosten worden vastgesteld op € 3.200,-.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8429

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

Oort Pluimveehouderij V.O.F., uit Bergentheim, eiseres

(gemachtigde: [naam 1]),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.275,- die verweerder met het besluit van 15 maart 2024 (het boetebesluit) aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met die boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat is vast komen te staan dat eiseres de haar verweten overtreding heeft begaan, maar dat de boete vanwege tijdsverloop verder gematigd dient te worden. Eiseres krijgt dus gelijk voor zover het de hoogte van de boete betreft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Met het boetebesluit heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 1.275,-. Met het bestreden besluit van 26 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Tevens zijn verschenen [naam 2], toezichthoudend dierenarts, en [naam 3], coördinerend specialistisch inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 28 juni 2023 is opgemaakt en ondertekend door een toezichthouder van de NVWA (het rapport). In het rapport staat onder meer het volgende:
“Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 4 oktober 2022, omstreeks 08:30 uur.
Tijdens mijn regulier toezicht bevond ik mij rond 08:30 uur in de aanvoerhal van Plukon Dedemsvaart B.V., waar ik de geloste containers met kuikens controleerde. Ik zag meerdere erg volle lades in de twee na laatste geloste stapel containers van wagen 33. Dat de containers van wagen 33 waren, bleek mij uit het feit dat er een bordje met het wagennummer aan de eerste stapel met containers van de rij hing (zie foto 1). Op de daglijst vervoer zag ik dat dit de laatste wagen van koppel 4 was (volgnummer 12) en dat de kuikens afkomstig waren uit stal 2 van “Oort V.O.F.” uit Bergentheim (zie bijlage daglijst vervoer (de 1e wagen 33 met volgnummer 5 was al om 02:15 uur op het slachthuis en was al geslacht om 08:30 uur)). Ik zag dat de lades van de twee na laatste geloste stapel containers erg vol waren met kuikens in vergelijking met de andere ook al redelijk volle lades in de containers afkomstig van wagen 33 (zie foto's 2 t/m 11 en foto's 13 t/m 17 en de 5 filmpjes). Verder zag ik in de erg volle lades dat de kuikens die al dicht op elkaar zaten ook nog eens extreem aan het hijgen waren van warmte/benauwdheid, de koppen naar buiten staken (zie foto 7) en meer onrust vertoonden dan de kuikens in de minder volle lades in deze containers. In de laatste stapel van wagen 33 was één lade helemaal leeg en één lade bijna leeg op 1 kuiken na (zie foto 12).
Ik heb de Poultry Welfare Officer (PWO), dit voorval gemeld. Ik heb met hem, gezamenlijk de kuikens uit de twee bovenste lades van de onderste container en de tweede lade van de bovenste container van de twee na laatste stapel van wagen 33 met volgnummer 12 geteld en overgeplaatst naar een lege container. Er zaten in totaal respectievelijk 38, 42 en 49 kuikens in deze volle lades. Volgens de daglijst vervoer (zie bijlage daglijst vervoer) waren er 32 kuikens per lade gepland; dit komt neer op een overschrijding t.o.v. de planning van 18,75, 31,25 en 53,13%.
Bij berekening qua aantal kilo’s komt dit neer op een overschrijding van 13,42, 25,35 en 46,24%. De koppel had een gemiddeld gewicht van 2,507 kg (nettogewicht koppel/totale aantal aanvoer van koppel = 24.360 kg/9.718 kuikens) (voor gegevens zie bijlage: KRASlijst NVWA). Met 38, 42 en 49 kuikens in een lade kom je dan op een gemiddeld gewicht van respectievelijk 95,27, 105,29 en 122,84 kg in deze lades. Er mag maximaal 84 kilo netto per lade geladen worden bij kuikens tussen de 1,6 en 3 kilo lichaamsgewicht (zie Verordening (EG) nr. 1 /2005, Onderdeel E, hoofdstuk 7, Bijlage 1 en bijlage berekening overbelading). De volle lades hadden een overbelading van respectievelijk 11,86, 20,24 en 31,64%. Voorbeeld berekening van de lade met 49 kuikens: De volle lade met 49 kuikens had een gemiddeld netto gewicht van 2,507 kg X 49 kuikens = 122,84 kg. De oppervlakte van één lade is : 13.436 cm 2. De berekening is: 13.436 cm 2/122,84 kg = 109,38 cm 2.160-109,38 = 50,62 cm 2 te weinig oppervlakte per lade. De overbelading is 50,62/160x100% = 31,64% (zie bijlage berekening beladingsdichtheid).
Volgens de laadbon van “Oort V.O.F.” van wagen met kenteken [kenteken] (is wagen 33) is op 04-10-2022 om 05:00 uur bij het pluimveebedrijf het laden begonnen en is die wagen vervolgens vertrokken naar het slachthuis waar het om 06:14 uur arriveerde bij de weegbrug bij het slachthuis (zie bijlagen laad- en weegbon). Mijn constatering was omstreeks 08:30 uur; de kuikens hebben ongeveer drieënhalf uur in deze volle lades gezeten.
Gezien de hoeveelheid kuikens in de lades was er sprake van ruimtegebrek per dier, waardoor de kuikens erg op elkaar gedrukt zaten in de lades. De overbelading van de lades heeft onnodig lijden bij de kuikens veroorzaakt, omdat de kuikens door het ruimtegebrek het erg warm/benauwd hadden. Doordat de kuikens zichtbaar aan het hijgen waren, de koppen naar buiten staken en erg onrustig waren, weet ik dat ze het erg benauwd en warm hadden. Dit is lijden, want als er minder dieren in gezeten hadden was dat niet het geval geweest. In de andere lades (niet overvol) zag ik geen kuikens die het erg warm/benauwd hadden, maar kuikens die rustig naast elkaar zaten en niet tot een beetje hijgden, maar daar zag ik niet het hele lijf meehijgen en de onrust bij de kuikens om lucht/ruimte te krijgen.
Doordat er tijdens het vangen door de vangploeg (zie bijlage daglijst vervoer) met 8 vangers (zie bijlage laadbon) onregelmatig is geladen, zijn er in meerdere lades teveel kuikens gedaan. Hierdoor werd niet voorkomen dat de kuikens in de overbeladen lades tijdens het verplaatsen lijden bespaard bleef en dat hun veiligheid was gegarandeerd, met als gevolg zeer veel benauwde kuikens in deze lades. De houder op de plaats van vertrek is hiervoor verantwoordelijk. […]”
4. Op grond van het rapport heeft verweerder vastgesteld dat eiseres dieren op zodanige wijze heeft laten vervoeren dat het de dieren letsel en onnodig lijden heeft berokkend. De dieren beschikten, gelet op hun grootte, niet over voldoende vloeroppervlak. Dit betreft een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3, onder g, van de Transportverordening [1] . Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.275,-. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiseres pas na 24 maanden op de hoogte is gebracht van de onderzoeksbevindingen. Om die reden heeft verweerder het standaardboetebedrag (van € 1.500,-) met 15% gematigd.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres betoogt dat het rapport van bevindingen niet voldoet aan de zorgvuldigheidseisen en dat het ontbreekt aan allerlei essentiële informatie.
5.1.
De rechtbank overweegt dat in het rapport duidelijk is omschreven wat de toezichthouder heeft waargenomen en ook inzichtelijk is gemaakt op welke wijze tot de conclusie is gekomen dat de kuikens in de drie lades te weinig vloeroppervlak hadden. Eiseres heeft niet geconcretiseerd welke informatie ontbreekt in het rapport. Evenmin heeft eiseres de bevindingen en berekeningen van de toezichthouder betwist. Hoewel eiseres er terecht op wijst dat het onwenselijk lang heeft geduurd voordat de toezichthouder het rapport heeft opgesteld, leidt dit niet tot het oordeel dat verweerder het rapport vanwege tijdsverloop niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. [2] Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op basis van het rapport op het standpunt kunnen stellen dat eiseres de haar verweten overtreding heeft begaan. De omstandigheid dat slechts drie lades waren overbeladen en de rest niet, doet niet af aan de geconstateerde overtreding.
6. Eiseres betoogt dat haar van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt. Daartoe wijst zij erop dat zij samenwerkt met een professionele vervoerder en dat de chauffeur duidelijke instructies heeft gekregen. De chauffeur had de overbelading dan ook tijdens het laden moeten zien. Het is volgens eiseres dan ook terecht dat de vervoerder is beboet. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte ook haar een boete opgelegd.
6.1.
De rechtbank overweegt dat het vangen en laden van kuikens een met de verplaatsing samenhangende activiteit is waarop de Transportverordening van toepassing is.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat de overtreding eiseres niet of verminderd kan worden verweten omdat (ook) de vervoerder is beboet. Het gaat hier om de constatering dat er te veel kuikens in een aantal lades van de containers zaten. Eiseres was verantwoordelijk voor het welzijn van de kuikens en ook voor de wijze waarop deze kuikens op haar bedrijf werden gevangen en in containers zijn geladen, door een vangploeg die eiseres daarvoor zelf had ingeschakeld. De vervoerder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Dat de vervoerder een boete opgelegd heeft gekregen, maakt niet dat eiseres niet meer kon worden beboet. [3]
7.
7.1.
Eiseres heeft er in beroep op gewezen dat het rapport pas acht maanden na de constatering is opgesteld en dat zij daarvan vervolgens pas op 29 januari 2024 op de hoogte is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit tijdsverloop er niet toe dat verweerder niet langer bevoegd was een boete op te leggen. Ook het overschrijden van de termijn als bedoeld in artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) leidt niet tot het vervallen van de bevoegdheid een boete op te leggen. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres door dit tijdsverloop in haar belangen of bewijspositie is geschaad. Zij had met de uitgebreide bevindingen in het rapport voldoende feitenmateriaal om de bevindingen van de toezichthouder te kunnen tegenspreken.
7.2.
Wel bestaat aanleiding om de boete aanvullend te matigen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de NVWA inmiddels de Werkinstructie matiging langdurige processen hanteert op grond waarvan een boete bij overschrijding van de primaire beslistermijn met 10% wordt gematigd. Toepassing van dit nieuwe beleid betekent volgens verweerder in dit geval dat de reeds met 15% gematigde boete met nog eens 10% moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.147,50. Hoewel de rechtbank in de werkinstructie leest dat in gevallen van cumulatie van de twee matigingssituaties (te laat in kennis stellen en overschrijding van de primaire beslistermijn) wordt gematigd met in totaal 20%, zal de rechtbank de boete op het door verweerder genoemde bedrag vaststellen nu het hier gaat om een afwijking ten gunste van eiseres. Voor verdere matiging ziet de rechtbank geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en houdt dit besluit geen stand voor wat betreft de boetehoogte. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien. Het primaire besluit zal worden herroepen voor wat betreft de boetehoogte en het boetebedrag zal, gelet op artikel 8:72a van de Awb, worden vastgesteld op € 1.147,50.
9. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 juli 2024 voor wat betreft de boetehoogte;
- herroept het boetebesluit van 15 maart 2024 voor wat betreft de boetehoogte;
- stelt het boetebedrag vast op € 1.147,50 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4087.
3.Zie ook de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 29 augustus 2023, ECLI:NL:CBB:2023:457.