3.3.Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om de schuld over te nemen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat er geen bewijsstukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat eiseres een onderhandse lening heeft afgesloten met [naam]. Voor zover de minister ervan uitgaat dat er sprake is van een schuld aan [naam] is dit een informele schuld, waarvoor de eis geldt dat deze moet zijn vastgelegd in een notariële akte. Die ontbreekt in dit geval. Daardoor is ook niet vast te stellen wanneer de schuld opeisbaar zou zijn geworden.
4. In beroep voert eiseres aan dat in strijd is gehandeld met het motiveringsbeginsel, omdat niet duidelijk gemotiveerd is hoe de code toegepast is op haar schuld. De minister heeft ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door geen contact op te nemen met de schuldeiser, waardoor geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en de schuld onjuist is beoordeeld. Eiseres stelt dat uit de door haar overgelegde stukken kan worden vastgesteld dat de schuld binnen de referteperiode van de Wht opeisbaar was. Eiseres voert verder aan dat het vasthouden aan de eis van de notariële akte in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres verkeerde in een financiële noodsituatie waardoor het opstellen van een notariële akte niet in redelijkheid van haar had kunnen worden verwacht. De toepassing van deze eis moet dan ook achterwege blijven. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Eiseres doet tenslotte een beroep op de hardheidsclausule. Verder verzoekt zij de minister om haar persoonlijk dossier te doen toekomen onder verbeurte van een dwangsom.
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de weigering van het betalen van de schuld van eiseres terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na
31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
8. Voor zogenoemde informele schulden geldt dat deze moeten zijn vastgelegd in een notariële akte dan wel moeten blijken uit een rechterlijke uitspraak.Vast staat dat de schuld van eiseres niet is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. De schuld kan daarom niet worden overgenomen. Daarbij komt ook dat niet is gebleken dat de schuld opeisbaar is geworden in de referteperiode van de Wht.
9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft aangegeven dat er zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als het bewijs van een informele schuld en daarover gemaakte
betalingsafspraken, zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. In dergelijke gevallen moet sprake zijn van officiële documenten die het bestaan van de schuld overtuigend aantonen. Het bestaan van een informele schuld moet dan op te maken zijn uit andere betrouwbare en officiële documenten waaraan redelijkerwijs niet getwijfeld kan worden. Van zulke stukken is in dit geval geen sprake. De schuld volgt alleen uit bankafschriften (interne overboekingen van [naam] aan eiseres en van eiseres aan [naam]). Er is dus geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de situatie waarop de aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam zag.
10. Van een schending van het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake. De minister heeft in het primaire besluit een verwijzing naar de betreffende code opgenomen, met daarbij een korte toelichting. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd, onder verwijzing naar de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarnaast is het in beginsel de verantwoordelijkheid van eiseres, als aanvrager, om de benodigde gegevens omtrent haar schuld. De minister moet wel inzichtelijk maken welke gegevens aangeleverd moeten worden, maar de bewijslast ligt bij de aanvrager – in dit geval de gedupeerde ouder – zelf. Eiseres heeft niet gesteld dat zij niet in staat zou zijn om de stukken aan te leveren. De minister heeft zich dus terecht gebaseerd op de stukken die eiseres bij haar aanvragen heeft ingediend.
11. Tenslotte stelt eiseres dat de minister de schuld op grond van de hardheidsclausule had moeten overnemen.De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven.Daarbij kan worden gedacht aan de situatie van serieuze en structurele financiële nood die samenhangt met de gevolgen van een weigering van de schuldovername. In dit geval ontbreekt een onderbouwing waaruit blijkt dat de afwijzing van het verzoek tot schuldovername een zodanig financiële nood veroorzaakt dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. De minister heeft dan ook toepassing van de hardheidsclausule achterwege kunnen laten.
12. Eiseres heeft de minister verzocht om haar persoonlijk dossier te doen toekomen. Deze procedure gaat echter over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Het verzoek om verstrekking van haar persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de rechtbank alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen. Verder geldt nog het volgende. Uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan in beginsel de op een zaak betrekking hebbende stukken in het geding moet brengen. De minister heeft de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in het geding gebracht. De rechtbank ziet gaan aanknopingspunten voor de conclusie dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe de minister tot het besluit is gekomen.