ECLI:NL:RBROT:2026:1113

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
ROT 24/5606
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 8:42 AwbArt. 8:57 AwbArt. 2.7 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname private schuld in kader hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de minister van Financiën om haar private schuld over te nemen in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Sociale Banken Nederland weigerde dit op grond van het ontbreken van een notariële akte en onvoldoende bewijs dat de schuld binnen de referteperiode opeisbaar was.

Eiseres voerde aan dat de minister het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden, dat de eis van een notariële akte onredelijk was vanwege haar financiële noodsituatie, en deed een beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelde dat de minister de weigering terecht handhaafde omdat de schuld niet was vastgelegd in een notariële akte of rechterlijke uitspraak en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank stelde vast dat de minister voldoende had gemotiveerd en dat de bewijslast bij eiseres lag. Het verzoek om inzage in het persoonlijk dossier kon niet worden behandeld in deze procedure. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van de minister om haar private schuld over te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5606

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: mr. M. Bouhoud).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om de private schuld van eiseres over te nemen. Eiseres is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de schuld van eiseres niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 6 december 2023 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de schuld van eiseres over te nemen.
2.1.
Met het besluit van 26 april 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij het niet nodig vinden om op zitting te verschijnen. De rechtbank heeft de zaak daarom niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Belastingdienst/Toeslagen in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart.
3.1.
Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden (het Besluit), dat gold vanaf
29 oktober 2021. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3.2.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) schuldenlijsten verstrekt. Bij het primaire besluit is geweigerd om de schuld aan [naam] van € 14.105,00 over te nemen. De vordering aan
[naam] wordt niet overgenomen op grond van code 10. Deze code houdt in:
‘Dit bedrag was geen schuld. Er kan niets worden terugbetaald.’
3.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om de schuld over te nemen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat er geen bewijsstukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat eiseres een onderhandse lening heeft afgesloten met [naam]. Voor zover de minister ervan uitgaat dat er sprake is van een schuld aan [naam] is dit een informele schuld, waarvoor de eis geldt dat deze moet zijn vastgelegd in een notariële akte. Die ontbreekt in dit geval. Daardoor is ook niet vast te stellen wanneer de schuld opeisbaar zou zijn geworden.
Standpunt eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat in strijd is gehandeld met het motiveringsbeginsel, omdat niet duidelijk gemotiveerd is hoe de code toegepast is op haar schuld. De minister heeft ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door geen contact op te nemen met de schuldeiser, waardoor geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en de schuld onjuist is beoordeeld. Eiseres stelt dat uit de door haar overgelegde stukken kan worden vastgesteld dat de schuld binnen de referteperiode van de Wht opeisbaar was. Eiseres voert verder aan dat het vasthouden aan de eis van de notariële akte in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres verkeerde in een financiële noodsituatie waardoor het opstellen van een notariële akte niet in redelijkheid van haar had kunnen worden verwacht. De toepassing van deze eis moet dan ook achterwege blijven. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam [2] . Eiseres doet tenslotte een beroep op de hardheidsclausule. Verder verzoekt zij de minister om haar persoonlijk dossier te doen toekomen onder verbeurte van een dwangsom.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de weigering van het betalen van de schuld van eiseres terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. [3] De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na
31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [4]
8. Voor zogenoemde informele schulden geldt dat deze moeten zijn vastgelegd in een notariële akte dan wel moeten blijken uit een rechterlijke uitspraak. [5] Vast staat dat de schuld van eiseres niet is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. De schuld kan daarom niet worden overgenomen. Daarbij komt ook dat niet is gebleken dat de schuld opeisbaar is geworden in de referteperiode van de Wht.
9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft aangegeven dat er zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als het bewijs van een informele schuld en daarover gemaakte
betalingsafspraken, zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen [6] . In dergelijke gevallen moet sprake zijn van officiële documenten die het bestaan van de schuld overtuigend aantonen. Het bestaan van een informele schuld moet dan op te maken zijn uit andere betrouwbare en officiële documenten waaraan redelijkerwijs niet getwijfeld kan worden. Van zulke stukken is in dit geval geen sprake. De schuld volgt alleen uit bankafschriften (interne overboekingen van [naam] aan eiseres en van eiseres aan [naam]). Er is dus geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de situatie waarop de aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam zag.
10. Van een schending van het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake. De minister heeft in het primaire besluit een verwijzing naar de betreffende code opgenomen, met daarbij een korte toelichting. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd, onder verwijzing naar de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarnaast is het in beginsel de verantwoordelijkheid van eiseres, als aanvrager, om de benodigde gegevens omtrent haar schuld. De minister moet wel inzichtelijk maken welke gegevens aangeleverd moeten worden, maar de bewijslast ligt bij de aanvrager – in dit geval de gedupeerde ouder – zelf. Eiseres heeft niet gesteld dat zij niet in staat zou zijn om de stukken aan te leveren. De minister heeft zich dus terecht gebaseerd op de stukken die eiseres bij haar aanvragen heeft ingediend.
11. Tenslotte stelt eiseres dat de minister de schuld op grond van de hardheidsclausule had moeten overnemen. [7] De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. [8] Daarbij kan worden gedacht aan de situatie van serieuze en structurele financiële nood die samenhangt met de gevolgen van een weigering van de schuldovername. In dit geval ontbreekt een onderbouwing waaruit blijkt dat de afwijzing van het verzoek tot schuldovername een zodanig financiële nood veroorzaakt dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. De minister heeft dan ook toepassing van de hardheidsclausule achterwege kunnen laten.
12. Eiseres heeft de minister verzocht om haar persoonlijk dossier te doen toekomen. Deze procedure gaat echter over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Het verzoek om verstrekking van haar persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de rechtbank alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen. Verder geldt nog het volgende. Uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan in beginsel de op een zaak betrekking hebbende stukken in het geding moet brengen. De minister heeft de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in het geding gebracht. De rechtbank ziet gaan aanknopingspunten voor de conclusie dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe de minister tot het besluit is gekomen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt verweerder een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Op grond van artikel 4.1, derde lid van de Wht worden geldschulden en kosten overgenomen, die zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
In artikel 9.1, van de Wht met de titel ‘hardheidsclausules’ is bepaald:
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.6;
c. de Sociale verzekeringsbank, genoemd in Hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.7;
d. het college van burgemeester en wethouders afwijken van artikel 3.8 of 2.21;
e. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijken van artikel 3.9;
f. het CAK, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.10 afwijken;
g. de Wlz-uitvoerder, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.11 afwijken; en
h. het college, bedoeld in de artikelen 1.1 van de Jeugdwet en 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, van artikel 3.12 afwijken.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:494.
3.Artikel 4.1, eerste lid, van de Wht.
4.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
5.Artikel 4.1, derde lid, onder b van de Wht.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040.
7.Artikel 9.1, tweede lid, Wht.
8.Uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.