ECLI:NL:RBROT:2026:1095

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712255 / KG ZA 25-1269
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:219 lid 1 BWArt. 6:225 lid 1 BWArt. 6:225 lid 2 BWArt. 237 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ondertekening en uitvoering koopbevestiging perceel grond

Reek & WJ en [gedaagde 1] c.s. onderhandelden over de verkoop van een perceel grond met bebouwing. Reek & WJ stelde een koopbevestiging op die meerdere keren werd aangepast, maar partijen bereikten geen overeenstemming over het moment van betaling en het starten van sloopwerkzaamheden.

Reek & WJ vorderde in kort geding dat [gedaagde 1] c.s. de koopbevestiging zouden ondertekenen en uitvoering zouden geven aan de verplichtingen, en subsidiair dat zij de onderhandelingen zouden hervatten en voortzetten. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen overeenstemming was bereikt over een essentieel punt, waardoor de primaire vorderingen moesten worden afgewezen.

Ook de subsidiaire vorderingen werden afgewezen omdat het niet redelijk is om partijen te verplichten onderhandelingen voort te zetten zonder duidelijke richtlijnen, en omdat dit tot nieuwe conflicten zou leiden. Reek & WJ werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vorderingen tot ondertekening en uitvoering van de koopbevestiging en hervatting van onderhandelingen worden afgewezen wegens gebrek aan overeenstemming over een essentieel punt.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712255 / KG ZA 25-1269
Vonnis in kort geding van 6 februari 2026
in de zaak van
REEK & WJ VASTGOEDONTWIKKELINGEN I B.V.,
statutaire vestigingsplaats: Amsterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. D.J. Lok,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
2. [gedaagde 2] .,
statutaire vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
advocaten: mrs. L.S.E. Prickartz en R.J. Maassen.
Partijen worden hierna Reek & WJ, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden samen [gedaagde 1] c.s. genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn ieder voor 50% eigenaar van een perceel grond met bebouwing. Partijen hebben onderhandeld over de verkoop van het perceel door [gedaagde 1] c.s. aan Reek & WJ. Op enig moment hebben [gedaagde 1] c.s. die onderhandelingen afgebroken en geweigerd de onderhandelingen weer te hervatten. Volgens Reek & WJ was toen echter al overeenstemming bereikt over een koopbevestiging, dan wel konden [gedaagde 1] c.s. de onderhandelingen niet meer afbreken. Daarom vordert Reek & WJ – kort gezegd –
primairdat [gedaagde 1] c.s. worden bevolen om de koopbevestiging te tekenen en daar uitvoering aan te geven, en
subsidiairdat [gedaagde 1] c.s. worden bevolen om de onderhandelingen voort te zetten, alles onder druk van een dwangsom. [gedaagde 1] c.s. voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Reek & WJ. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaardingen van 13 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 23;
  • de aanvullende bijlage 24 van Reek & WJ;
  • de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 5;
  • de mondelinge behandeling op 23 januari 2026;
  • de pleitnotities van mr. Lok.

3.Enkele feiten

3.1.
Partijen zijn sinds 29 september 2025 met elkaar in gesprek over de verkoop door [gedaagde 1] c.s. aan Reek & WJ van het perceel grond aan het adres [naam locatie] 235, 237, 239a-d en 241 ( [postcode] ) in [plaats] (‘het Perceel’).
3.2.
Op het Perceel is de autohandel van [gedaagde 2] gevestigd. [gedaagde 1] en zijn echtgenote zijn beiden voor 50% aandeelhouder van [gedaagde 2] .
3.3.
Na een indicatieve bieding op 7 oktober 2025, een formele bieding op 18 oktober 2025 en een bespreking op 20 oktober 2025 heeft Reek & WJ, op verzoek van de makelaar van [gedaagde 1] c.s., op 24 oktober 2025 een document getiteld “Koopbevestiging [naam locatie] 235, 237, 239A-D, 241 te [plaats] ” aan [gedaagde 1] c.s. toegestuurd (bijlage 11 van Reek & WJ, ‘de Koopbevestiging’).
3.4.
De Koopbevestiging is vervolgens op 2 november 2025 aangepast naar aanleiding van een reactie van de makelaar van [gedaagde 1] c.s. (bijlage 12 van Reek & WJ).
3.5.
Daarna zijn enkele telefoongesprekken tussen partijen gevoerd, waarna de makelaar van [gedaagde 1] c.s. op 21 november 2025 een e-mail met de volgende inhoud aan Reek & WJ heeft toegestuurd (bijlage 14 van Reek & WJ):

Naar aanleiding van de door Reek & WJ Vastgoedontwikkelingen I B.V. opgestelde koopbevestiging alsmede naar aanleiding van de daarna gevoerde telefoongesprekken geven wij u hierbij, namens verkoper de heer [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ., de volgende reactie.
Het due dilligence onderzoek duurt maximaal 8 weken na ondertekening van de koopbevestiging.
In deze 8 weken zal de koopovereenkomst worden opgesteld en door partijen worden ondertekend.
In de koopovereenkomst wordt een koopsom opgenomen van € 5.850.000,-- (Zegge: vijfmiljoenachthonderdvijftigduizend euro) vrij op naam exclusief BTW.
De sloopkosten zullen voor rekening van koper komen en bij de hierboven genoemde koopsom worden opgeteld.
De opdracht tot sloop zal worden verstrekt door koper.
De door koper in koopbevestiging gedefinieerde ontbindende voorwaarden zullen in de koopovereenkomst worden opgenomen met een termijn welke eindigt op 31 maart 2026.
Na 31 maart 2026 zal de koopovereenkomst, indien niet een van de ontbindende voorwaarden wordt ingeroepen, onherroepelijk zijn.
Transport zal uiterlijk op 30 juni 2026 plaatsvinden.
Overigens conform het gestelde in de koopbevestiging c.q. Letter of Intent, zoals aan ons verzonden per email op 2 november 2025 door [persoon A] .
Indien u met bovenstaande akkoord bent zien wij een nieuwe, door u ondertekende koopbevestiging tegemoet zodat verkoper deze eveneens kan ondertekenen om de koop daadwerkelijk te bevestigen.
Graag ontvangen wij uiterlijk voor 28 november a.s. reactie tot welke datum dit voorstel gestand wordt gedaan.”.
3.6.
Naar aanleiding van deze e-mail heeft Reek & WJ de Koopbevestiging aangepast en in een e-mail van 22 november 2025 “
ter ondertekening” aan [gedaagde 1] c.s. toegestuurd (bijlage 15 van Reek & WJ).
3.7.
Op 26 november 2025 heeft de makelaar van [gedaagde 1] c.s. Reek & WJ bericht dat nog het één en ander moest worden verduidelijkt, namelijk (i) welke kosten worden bedoeld met de gebruikelijke “kosten koper”, (ii) of de uiteindelijke koopovereenkomst door de notaris wordt opgesteld overeenkomstig het “model Ring Amsterdam”, (iii) dat in de te ondertekenen koopovereenkomst de 10% waarborgsom te storten bij de notaris of bankgarantie is opgenomen en (iv) dat duidelijk moet zijn dat er geen sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd voordat de volledige koopsom aan [gedaagde 1] c.s. is voldaan (bijlage 3 van [gedaagde 1] c.s.).
3.8.
Reek & WJ heeft op 26 november 2025 op het bericht van de makelaar van [gedaagde 1] c.s. gereageerd (bijlage 17 van Reek & WJ) en op 27 november 2025 heeft Reek & WJ een aangepaste versie van de Koopbevestiging aan [gedaagde 1] c.s. toegestuurd (bijlage 18 van Reek & WJ).
3.9.
[gedaagde 1] c.s. hebben de Koopbevestiging niet ondertekend. Op 2 december 2025 hebben zij Reek & WJ – kort gezegd – bericht dat de opzet van de Koopbevestiging niet afdoende is, en dat de gesprekken en het overleg worden gestaakt.

4.De vorderingen

4.1.
Reek & WJ vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te bevelen, althans te gelasten om uiterlijk binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis:
(a) de op 27 november 2025 aan hen toegezonden Koopbevestiging (bijlage 18 van Reek & WJ) te ondertekenen en aan Reek & WJ te retourneren, hetzij via DocuSign, hetzij per e-mail in PDF-formaat met inachtneming van vordering sub I. (b);
(b) hun medewerking te verlenen aan het opnemen van de in de Koopbevestiging gedefinieerde ontbindende voorwaarden in de koopovereenkomst, met een termijn die eindigt op 31 mei 2026, althans een termijn die eindigt vier maanden na ondertekening van de Koopbevestiging door [gedaagde 1] c.s., althans een zodanige termijn vast te stellen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
II. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te bevelen, althans te gelasten, uitvoering te geven aan alle verplichtingen die voor ieder van hen voortvloeien uit de Koopbevestiging van 27 november 2025, met inachtneming van het bepaalde in vordering sub I. (b), althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
subsidiair
III. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te bevelen, althans te veroordelen, om de onderhandelingen met Reek & WJ met betrekking tot de Koopbevestiging (van 27 november 2025) onverwijld te hervatten en deze te goeder trouw voort te zetten, totdat tussen partijen volledige overeenstemming is bereikt, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
IV. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te verbieden om met derden in onderhandeling te treden over en/of overeenkomsten aan te gaan die betrekking hebben op het Perceel, althans het bepaalde in de Koopbevestiging, althans de uitvoering van dergelijke onderhandelingen c.q. overeenkomsten te staken en gestaakt te houden, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
primair en subsidiair
V. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te veroordelen tot betaling aan Reek & WJ van een dwangsom van € 50.000,00, althans door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat één of meer van [gedaagde 1] c.s. in gebreke blijft of blijven om te voldoen aan de onder I., II. en/of III. gevorderde bevelen en/of het onder IV. gevorderde verbod na betekening van dit vonnis;
VI. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te veroordelen in de kosten van dit geding;
VII. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te veroordelen tot betaling van de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv Pro en de toepasselijke wettelijke rente over alle kosten, onder voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beoordeling

Het toetsingskader in een kort geding
5.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of Reek & WJ ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken.
Letter of Intent, intentieovereenkomst, Koopbevestiging of koopovereenkomst?
5.2.
Reek & WJ gebruikt in haar correspondentie voorafgaand aan deze zaak, in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling verschillende termen voor het document dat Reek & WJ op 24 oktober 2025 aan [gedaagde 1] c.s. heeft toegestuurd, namelijk Letter of Intent, intentieovereenkomst en Koopbevestiging. De voorzieningenrechter laat de precieze benaming of kwalificatie van het document echter in het midden en noemt het document zoals het is getiteld: de Koopbevestiging. Voor de beoordeling van deze zaak is namelijk niet van belang hoe het document precies moet worden genoemd of gekwalificeerd, maar in hoeverre partijen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van dat document. Intussen kan de door Reek & WJ gebruikte benaming wel mede van belang zijn voor de mate waarin partijen elkaars verklaringen over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de Koopbevestiging
5.3.
De primaire vorderingen van Reek & WJ zijn gebaseerd op het standpunt van Reek & WJ dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over alle essentiële punten van de Koopbevestiging. De voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt.
5.4.
Aan Reek & WJ kan worden toegegeven dat [gedaagde 1] c.s. haar op 21 november 2025 een aanbod hebben gedaan (zie 3.5.), dat [gedaagde 1] c.s. op grond van artikel 6:219 lid 1 BW Pro tot 28 november 2025 gestand moesten doen. Aan Reek & WJ kan ook worden toegegeven dat zij vervolgens vóór 28 november 2025, namelijk op 22 november 2025, op dat aanbod heeft gereageerd (zie 3.6.).
5.5.
Echter, anders dan Reek & WJ meent, wijkt die reactie (volgens Reek & WJ: de aanvaarding) naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter af van het aanbod van [gedaagde 1] c.s. en is om die reden sprake van een nieuw aanbod als bedoeld in artikel 6:225 lid 1 BW Pro. Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk gebleken dat partijen het er in ieder geval niet over eens zijn wat wordt bedoeld met de beoogde afspraken over het uitvoeren van sloopwerkzaamheden en in dat verband het moment van betaling van de volledige koopsom aan [gedaagde 1] c.s. (zie 3.7., punt (iv)). Reek & WJ bedoelt hiermee dat nog niet wordt gestart met het feitelijk slopen van de bebouwing van het Perceel totdat de volledige koopsom op de bankrekening van [gedaagde 1] c.s. staat, maar dat al wel vóór die betaling bouwhekken om het Perceel kunnen worden geplaatst om daarmee de formele start van het slooptraject te markeren. [gedaagde 1] c.s. daarentegen willen zich niet binden aan een slooptraject – waarbij geldt dat zij volgens de beoogde afspraken de opdrachtgever van de sloper zouden zijn – voordat de volledige koopsom op hun bankrekening staat. Het eerder al afzetten van het sloopterrein is in de ogen van [gedaagde 1] c.s. dus ook ongewenst. Hiermee is duidelijk dat de bedoeling van partijen op dit punt (start slooptraject in verbinding met het moment van betaling van de koopsom) niet overeenkwam.
5.6.
Reek & WJ mocht er niet zonder meer op vertrouwen dat zij en [gedaagde 1] c.s. op dit punt hetzelfde bedoelden. In de omstandigheden van dit geval lag het op de weg van Reek & WJ om zeker te stellen dat zij en [gedaagde 1] c.s. op één lijn zaten. Daarbij weegt voor de voorzieningenrechter mee dat Reek & WJ, naar eigen zeggen, veel ervaring hebben met transacties als de onderhavige, terwijl dit voor [gedaagde 1] c.s. een eenmalige gebeurtenis is. Dat [gedaagde 1] c.s. in dit traject werden bijgestaan door een makelaar maakt dit niet anders. Ook is van belang dat Reek & WJ in haar taalgebruik richting [gedaagde 1] c.s. meer vrijblijvendheid suggereerde dan haar kennelijk voor ogen stond. Dat blijkt niet alleen uit de door haar gebruikte benamingen voor de te ondertekenen Koopbevestiging (zie 5.2.), maar ook uit diverse begeleidende mails, bijvoorbeeld die op 27 november 2025: met de “
intentieovereenkomst […] leggen we de basis vast, spreken we exclusiviteit af en kunnen partijen de volgende fase in.”. Dit noopte tot extra prudentie in het interpreteren van de opmerkingen van [gedaagde 1] c.s. over de start van het slooptraject. Die prudentie heeft Reek & WJ niet in acht genomen.
5.7.
De in 5.5. bedoelde reactie van Reek & WJ week dus af van het aanbod van [gedaagde 1] c.s. en geldt daarmee in beginsel als een nieuw aanbod (artikel 6:225 lid 1 BW Pro). Niet in geschil is dat [gedaagde 1] c.s. dat nieuwe aanbod van Reek & WJ vervolgens niet hebben aanvaard. Verder is geen sprake van een afwijkende aanvaarding op slechts een ondergeschikt punt, zoals bedoeld in artikel 6:225 lid 2 BW Pro. Partijen hebben immers in feite geen overeenstemming bereikt over het moment waarop Reek & WJ de koopsom voor het Perceel aan [gedaagde 1] c.s. moet betalen; vóór de start van het slooptraject of pas daarna. Daarmee hebben partijen geen overeenstemming bereikt over het moment waarop Reek & WJ haar belangrijkste prestatie op grond van de Koopbevestiging, het betalen van de koopsom, moet verrichten. Dat is geen ondergeschikt punt, maar een essentieel punt van de Koopbevestiging.
5.8.
Omdat partijen op een essentieel punt geen overeenstemming hebben bereikt over de Koopbevestiging die Reek & WJ op 27 november 2025 aan [gedaagde 1] c.s. hebben toegestuurd, althans omdat niet kan worden uitgesloten dat de rechter in een bodemprocedure tot dat oordeel komt, is tussen partijen nog geen overeenstemming bereikt over de Koopbevestiging. De primaire vorderingen worden daarom afgewezen.
De onderhandelingen waren vergevorderd, maar hervatting niet verplicht
5.9.
De subsidiaire vorderingen van Reek & WJ zijn gebaseerd op het standpunt van Reek & WJ dat [gedaagde 1] c.s. de onderhandelingen over de Koopbevestiging niet mochten afbreken en dat zij om die reden te goeder trouw door moeten onderhandelen. De voorzieningenrechter oordeelt hierover als volgt.
5.10.
Het uitgangspunt is dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval dat onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. [1] Dit is een hoge lat, waar niet snel aan wordt voldaan.
5.11.
De voorzieningenrechter sluit niet uit dat deze lat in dit geval wordt gehaald. De onderhandelingen tussen partijen bevonden zich op 27 november 2025 in een ver gevorderd stadium. Het aanbod van [gedaagde 1] c.s. van 21 november 2025 kwam al voor het overgrote deel overeen met de Koopbevestiging die op 2 november 2025 door Reek & WJ aan [gedaagde 1] c.s. is toegestuurd. [gedaagde 1] c.s. noemen in hun aanbod van 21 november 2025 nog slechts een beperkt aantal punten dat moest worden aangepast c.q. verduidelijkt en verwijzen voor het overige naar de inhoud van de Koopbevestiging van 2 november 2025. Na aanpassing van de Koopbevestiging door Reek & WJ resteerden vervolgens nog vier punten die in de ogen van [gedaagde 1] c.s. moesten worden aangepast c.q. verduidelijkt (zie 3.7.). Hoewel Reek & WJ een van die punten (de kwestie van de aanvang van het slooptraject) niet naar tevredenheid van [gedaagde 1] c.s. heeft verwerkt, bestond op 27 november 2025 in ieder geval overeenstemming over het overgrote deel van de punten waarover partijen hebben onderhandeld, waaronder ook bijna alle essentiële punten voor het sluiten van een koopovereenkomst. Mogelijk ontstond in de loop van het onderhandelingstraject een groeiend gevoel van ongemak bij [gedaagde 1] c.s., maar uit niets blijkt dat zij dat aan Reek & WJ hebben laten weten. Voorstelbaar is dat in deze omstandigheden de bodemrechter zal oordelen dat het [gedaagde 1] c.s. niet langer vrij stond de onderhandelingen plotsklaps af te breken.
5.12.
De voorzieningenrechter ziet echter geen grond voor het treffen van een voorziening waarmee [gedaagde 1] c.s. worden verplicht die onderhandelingen te hervatten en te goeder trouw voort te zetten. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.13.
Een dergelijke voorziening zal, anders dan gevorderd, sowieso niet kunnen inhouden dat [gedaagde 1] c.s. moeten dooronderhandelen totdat overeenstemming is bereikt over de Koopbevestiging. Over de inhoud daarvan zijn partijen het immers nog niet volledig eens en van [gedaagde 1] c.s. kan niet worden gevergd de onderhandelingen voort te zetten terwijl de uitkomst daarvan vooraf al is bepaald. Een andere voorziening in dit verband is niet goed denkbaar. Wat het te goeder trouw voeren van onderhandelingen concreet inhoudt, kan niet op voorhand worden bepaald. Het ligt in de rede aan te sluiten bij datgene waarover partijen het in de onderhandelingen al eens waren. Tegelijk kan ook niet worden uitgesloten dat dergelijke punten opnieuw op tafel komen te liggen als wordt dooronderhandeld over punten waarover nog geen overeenstemming was bereikt. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om op dit punt nadere richtlijnen te geven. Dat geldt ook wat betreft de onder IV. gevorderde exclusiviteit van de voortgezette onderhandelingen. Reek & WJ willen met de Koopbevestiging juist dergelijke exclusiviteit bereiken (zie het citaat weergegeven in 5.6.). Over die Koopbevestiging bestaat nog geen overeenstemming, zodat niet valt in te zien dat Reek & WJ al wel aanspraak zouden kunnen maken op een enkel onderdeel daarvan. Gelet op de vaagheid van een eventuele verplichting om door te onderhandelen, ligt het opleggen van een dwangsom aan [gedaagde 1] c.s. ook niet in de rede.
5.14.
Bij deze stand van zaken zou een voorlopige voorziening in dit verband niet meer kunnen inhouden dan de verplichting voor [gedaagde 1] c.s. om te goeder trouw door te onderhandelen. Gelet op de vaagheid daarvan en omdat het niet in de rede ligt om daar drukmiddelen aan te verbinden, valt niet in te zien welk belang Reek & WJ heeft bij een dergelijke voorziening. Aan de andere kant ligt voor de hand dat het treffen van een dergelijke voorziening juist tot nieuwe discussies en conflicten tussen partijen zal leiden, bijvoorbeeld over de vraag of [gedaagde 1] c.s. te goeder trouw onderhandelen en op welk moment zij te goeder trouw een punt kunnen zetten achter de onderhandelingen. De voorzieningenrechter acht het treffen van een dergelijke voorziening dan ook niet aangewezen. De subsidiaire vorderingen worden dus ook afgewezen.
Reek & WJ moet de proceskosten betalen
5.15.
Reek & WJ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] c.s. worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt Reek & WJ in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Reek & WJ de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Reek & WJ € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken door mr. B. van Velzen op 6 februari 2026.
3349 / 1980

Voetnoten

1.HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337.